Verkapte discriminatie op Europese markt

Vorig jaar bleek dat 85 procent van de Nederlandse ondernemers in Europa op oneigenlijke handelsbarrières stuit. Drie jaar nadat de gemeenschappelijke interne markt in de Europese Unie formeel een feit is, bloeit het verkapte protectionisme. EU-commissaris Mario Monti wil daar krachtig tegen optreden. In 1997 voert de Commissie SLIM in. “Dan zullen lidstaten zich wel twee keer bedenken.”

Europa's gemeenschappelijke markt kan op ontelbare manieren stranden. Op het Delftse instituut van de Waarborg bijvoorbeeld, dat afstamt van de eerste Utrechtse 'oerdinantie van goud en zilver' anno 1382. Tot op de dag van vandaag moeten alle edelmetalen eerst in Delft worden gekeurd en gemerkt alvorens ze op de vaderlandse consument mogen worden losgelaten.

Tot ergernis van de grootjuwelier Joachim Koehle uit Pforzheim die volgens Duitse traditie zijn eigen kwaliteitscontroleur is en bij twijfel aan het vakmanschap van zijn generaties oude familiebedrijf een waas van woede voor de ogen krijgt. Hij procedeert dan ook al jaren tegen de Waarborg bij Europese instanties. Zoals Koehle dat ook doet tegen het uit 1327 stammende Britse gilde Worshipful Company of Goldsmiths, dat via zijn huidige 'Assay Office' te Londen alle edelmetalen wenst te keuren die van het Kanaal komen.

Veel vaker dan op historische finesse stuit de Europese gemeenschappelijke markt echter op eigentijdse bureaucratie en lokale benepenheid. Neem het Haagse mayonaisebesluit dat alle mayonaise uit de boze buitenwereld weert waarin niet minstens 80 procent olie zit. Want dan dient het slasaus te heten. Een ander Haags besluit, dat de import van Italiaanse caravans verbood wegens te laag geachte deuropeningen, sneuvelde zojuist onder Brusselse druk.

Van de gemeenschappelijke markt valt ook weinig te bespeuren in de bierafdelingen van Duitse supermarkten. Ondanks de geografische nabijheid van Hollandse en Belgische 'wereldbrouwers' zijn de buitenlandse bieren er maar mondjesmaat aanwezig. Oorzaak: nadat het aloude Reinheitsgebot door Brussel als verkapte protectie was verdoemd, bracht Bonn een nieuwe richtlijn in stelling volgens welke minimaal 72 procent van alle bierimport dient te komen in recyclebaar glas in plaats van in blik. En flessenbier wordt over langere afstanden al gauw te zwaar en te duur zodat veel buitenlanders afhaken. Officieel is dit een pro-milieumaatregel. Maar blik valt ook te recyclen, zoals in Zweden gebeurt. Bovendien produceren Duitse brouwers voor hun buitenlandse markten zelf ook bier in blik. Vast staat dat de biermaatregel de Duitse biernijverheid niet slecht uitkomt. Zij kampt immers met 20 procent overproduktie bij een stagnerende vraag.

Kortom, nationale bureaucratieën blijken eindeloos vindingrijk als het erom gaat samen te spannen tegen de Europese eenheidsmarkt die tegelijk hun eigen creatie is. Zo bedachten de Grieken twee jaar terug dat het hun speelgoedfabrikanten niet slecht zou uitkomen als er van 7 uur in de morgen tot 10 uur 's avonds een reclameverbod op buitenlandse speelgoed werd ingevoerd. “Om de ouders uit de lagere inkomensgroepen te vrijwaren van de terreur van hun kinderen”, sprak toen een zalvende zegsman van de socialistische regering in Athene. Naar verluidt groeide de afzet van plaatselijke speelgoed sindsdien met 30 procent.

De Fransen regelden iets soortgelijks met betrekking tot buitenlandse alcoholica. De Italianen proberen hun vet- en olijfoliemarkten te beschermen met hulp van een 'broodbesluit' dat bij de bereiding van dit basisvoedsel slechts het gebruik van varkensvet en olijfolie toestaat. En de regering in Dublin verplicht Ierse radiostations 30 procent van hun zendtijd te spenderen aan lokale muziek ter promotie van de inheemse artiest.

Ook met de Europese richtlijnen inzake publieke aanbestedingen die tot doel hebben de Europese markt voor overheidsopdrachten te liberaliseren, wordt routineus de hand gelicht. Wat ernstig is. Want op deze markt, waar 590 miljard dollar per jaar omgaat, kan volgens Brussel zeker 30 miljard goedkoper worden gewerkt. Soms gebeurt ontduiking open en bloot, zoals in Italë, waar de overheid voor de aanleg van een brug tussen Sicilië en het vasteland uitsluitend Italiaanse bedrijven uitnodigde. Vaker gaat zoiets indirect.

Neem de Portugese overheid die van een Nederlandse onderneming een verklaring van goed gedrag van een (uiteraard weinig behulpzame) Portugese instantie eiste, of de Duitse spoorwegen die slechts inschrijvers tolereerden waarmee zij al eerder zaken hadden gedaan. De Duitsers zijn inmiddels door Brussel teruggefloten.

De Spaanse autoriteiten maakten het in 1994 helemaal bont. Zij verzonden de buitenlandse uitnodigingen om in te schrijven op een order voor gevangenismatrassen en -dekens drie weken na de uiterste inschrijfdatum. Zij zijn daarop door de Europese Commissie voor het Europese Gerechtshof in Luxemburg gedaagd, waar de zaak nog loopt.

Volgens het bureau van de Italiaanse EU-commissaris Carlos Monti, die ruim de helft van het gemeenschappelijke-marktdossier beheert, steeg het aantal formele klachten over illegale barrières in het intra-Europese verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal vorig jaar met 48 procent tot 630. Dat aantal kwam bovenop de meer dan duizend klachten die nog op afhandeling wachten.

Om nog niet te spreken over het veelvoud aan klachten dat nooit wordt ingediend. Zo bleek uit een vorig jaar mei gepubliceerd onderzoek van VNO/NCW dat 85 procent van de Nederlandse ondernemers in de Europese Unie op oneigenlijke handelsbarrières stuit. Toch wenst slechts 14 procent daar formeel over te klagen. Liever geen openlijke mot en een jarenlang bedorven stemming, formeel klagen lost weinig op en duurt altijd te lang, zo luiden de pragmatische parolen. Waarom ook niet? Ondanks zijn onvolkomenheden wordt de gemeenschappelijke markt door het gros van de zakenlieden - inclusief de door VNO/NCW ondervraagden - als voordelig en positief beschouwd. En beliep de intra-Europese handel in 1985 nog de helft van de totale door Europeanen gevoerde handel, nu is dat tweederde.

Toch noemt EU-commissaris Mario Monti voor gemeenschappelijke-marktzaken formeel klagen dwingend noodzakelijk. “Natuurlijk is het op zich positief dat Nederlandse ondernemers zich coûte que coûte in Europa willen integreren en daarbij obstakels omzeilen”, zegt hij in een interview in zijn Brusselse kantoor. “Maar dat heeft ook zijn kosten. Het vertraagt de Europese integratie, het ontmoedigt en het gaat ten koste van de Europese consument.”

Toen per 1 januari 1993 de raad van ministers van de Europese Unie 95 procent van de maatregelen ter voltooiing van de interne markt had goedgekeurd, was in grote lijn de doelstelling van het fameuze artikel 7A EG-verdrag bereikt, namelijk het tot stand brengen van een ruimte zonder binnengrenzen waar het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag van Rome.

Maar de euforie waarmee die eerste januari '93 destijds werd begroet was naar Monti's opvatting nogal overtrokken. “Die datum markeerde vooral het begin van een dynamisch eenwordingsproces”, zegt de EU-commissaris. “Nu moeten wij er voor zorgen dat de regels in de praktijk van alledag worden nageleefd.” Dat blijkt eenvoudiger gezegd dan gedaan. Want Monti's ambities stuiten in die alledaagse praktijk op velerlei barrières. Zo heeft hij, anders dan zijn antikartel- of transportcollega's Van Miert en Kinnock in de Europese Commissie, geen reële macht om overtreders snel terecht te wijzen en zonodig pittig te straffen.

Daar komt nog een complicatie bij: artikel 36 EG-Verdrag tolereert maatregelen van de lidstaten die het vrije goederenverkeer juist beperken, mits die worden genomen in het belang van volksgezondheid, milieu of publieke veiligheid. En dat blijkt een vruchtbare dekmantel voor verkapt protectionisme of willekeurige discriminatie. De Grieken baseren het verbod op reclame voor buitenlands speelgoed op dat artikel 36. De Duitsers funderen er hun obstructie van buitenlandse biertjes op, de Denen die van Belgische doperwtjes en de Fransen die van Griekse ceramische tegeltjes.

Intussen wil EU-commissaris Monti wel gezegd hebben dat Zuideuropeanen weliswaar het meest als overtreders van interne marktregels worden genoemd, maar dat uitgerekend Euromarkt-apologeten als Duitsland en Frankrijk die reputatie veel eerder verdienen. Samen bleken die vorig jaar immers goed voor zo'n 40 procent van de vrije-marktklachten die Mario Monti mocht ontvangen. Daar komt nota bene bij dat Duitsland - op het prille EU-lid Oostenrijk na - tot nu toe het laagst scoorde bij het verwerken van interne-marktregels in nationale wetgeving. Commissaris Monti erkende in een recente toespraak op de universiteit van Bonn dat de federale structuur - drie van de 16 Länder blijken zeer traag - de Duitsers weliswaar parten speelt, maar verzekerde zijn studentengehoor niettemin: “Het is zeker niet in overeenstemming met Duitslands leidende rol in de Europese integratie om zo achter te blijven.”

Wat kan de EU-commissaris voor Europa's gemeenschappelijke markt wel doen ter promotie van die markt? Monti's voornaamste instrument is de zogeheten infringement- of overtredingsprocedure. Om te beginnen stuurt hij de overtreder dan een 'formele notitie' over diens daad. Levert dat niets op, want veelal het geval is, dan stuurt hij er een reasoned of 'beredeneerde opinie' achteraan. Baat dat evenmin dan biedt een persoonlijk bezoek van de commissaris aan de betreffende hoofdstad niet zelden soelaas. Vorig jaar wist Monti zo zestig lopende zaken af te handelen. Lukt ook dat niet, dan wordt de overtreder voor het Europese Hof in Luxemburg gedaagd.

“In 1995, mijn eerste jaar in functie, steeg het aantal formal notices met 98 procent, het aantal reasoned opinions met 150 procent en het aantal cases to the European Court met 218 procent”, zegt Monti. “Wij hebben besloten om de zaken krachtiger aan te pakken. Dat is nodig voor de geloofwaardigheid van de Europese Commissie.”

Toch zullen al deze procedurele opties met bijpassende percentages juwelier Joachim Koehle uit Pforzheim nauwelijks vertrouwen inboezemen. Nadat hij begin jaren negentig al de 'middeleeuwse' volmachten van de Delftse Waarborg en de Londense Assay Office inzake het keuren van buitenlandse edelmetalen vergeefs had aangevochten voor de Nederlandse en de Britse rechter, wendde hij zich in 1993 tot de Europese Commissie. Die besloot toen overleg tussen de lidstaten te entameren om tot een gemeenschappelijk regeling in deze kwestie te komen. Anno 1996 zegt Koehle: “Dat overleg heeft nog steeds niets opgeleverd. Vooral Holland en Portugal staan een Europees compromis in de weg. Schandelijk!” Dus zit er een finale in bij het Europese Hof? “Dat kost me zeker nog eens twee jaar”, moppert de Duitse juwelier.

Natuurlijk sudderen in de EU de instincten van het beperkte eigenbelang nog voort en proberen overheden vaak reflexmatig het eigen erf te verdedigen door buitenstaanders met bureaucratische guerrilla, buitenissigheden en red tape te verlammen. Daar staat tegenover dat er sinds 1 januari 1993 ook veel is veranderd. Een Spaanse vrachtwagenchauffeur die eens zeventig formulieren nodig had om een lading sinaasappels in Nederland af te leveren, kan nu ongehinderd door grenspalen, douaniers en grenspolitie doorrijden. Duitse banken kunnen branches in Italië openen en Griekse studenten mogen aan Deense universiteiten college lopen. De EU-lidstaten handelen nu verreweg het meest met elkaar. Daar komt bij dat zowel de Europese overheden als hun subsidiemogelijkheden kleiner worden door voortgaande privatisering en liberalisering (luchtvaart in '97 en telecommunicatie in '98), en door de budgettaire discipline die wordt afgedwongen door 'Maastricht' en de EMU ('99).

Tegelijk erkent EU-commissaris Monti dat er nog een lange weg is te gaan voordat de Europese eenheidsmarkt als een werkelijk vrije handelszone zal functioneren. Een van Monti's grootste technische problemen blijft dat van de 'wederzijdse erkenning' van goederen en diensten.

Toen de gemeenschappelijke markt in de jaren tachtig werd ontwikkeld, besloten Jacques Delors c.s. dat er op een aantal gevoelige terreinen als medicamenten, chemicaliën en auto's gemeenschappelijke EU-standaarden moesten worden vastgesteld die de lidstaten in hun wetgeving zouden integreren. Maar het overgrote deel van de goederen en diensten zou vrij verhandelbaar worden volgens het principe van de 'wederzijdse erkenning'. Met andere woorden, is een produkt eenmaal goedgekeurd voor de verkoop in Finland, dan kan het ook worden aangeboden aan een klant in Portugal etc.

Op zich is dat een helder principe, maar in de praktijk stuit het vaak op heilige koeien, nationale oogkleppen en tegenwerkende bureaucratie. De meeste klachten komen trouwens van bedrijven uit kleinere landen, die problemen ondervinden bij het doorstoten naar de markten van grote EU-staten. Daarom wordt er in Brussel geregeld druk uitgeoefend om meer harmonisatiewetgeving te produceren voor gebieden waar 'wederzijdse erkenning' niet werkt.

Maar commissaris Monti wil dat zoveel mogelijk beperken. “Wij voeren het tempo op waarmee wij de vrije markt afdwingen”, vertelt hij, “maar tegelijk wil ik een Gemeenschap met minder regels die eenvoudiger is af te dwingen.” Daartoe heeft hij zojuist in de Europese Commissie een project gelanceerd dat luistert naar het acroniem SLIM, wat staat voor Simpler Legislation Internal Market. Bovendien verplicht Mario Monti per 1 januari 1997 lidstaten die willen afwijken van het principe van 'wederzijdse erkenning' van goederen en diensten, hem daarvan tevoren op de hoogte te stellen. “Door de lidstaten zo vooraf te dwingen open kaart te spelen, zullen zij zich wel twee keer bedenken.” Hoopt hij.

    • Ferry Versteeg