Twijfel over juridische geldigheid nieuwe spelling

ROTTERDAM, 16 APRIL. Er zijn ernstige vragen gerezen over de juridische geldigheid van de nieuwe spelling. Het kabinet wil de nieuwe spelling zonder meer per 1 augustus invoeren, terwijl de Spellingswet van 1947 parlementaire goedkeuring van elke spellingsvernieuwing eist. “Ik vind het raar dat dit buiten het parlement om wordt beslist, terwijl het grote gevolgen heeft voor veel mensen”, zegt mr. E.C.M. Jurgens, hoogleraar staats- en bestuursrecht en lid van de Eerste Kamer voor de PvdA.

Nederland en Vlaanderen hebben in 1994 in de Nederlandse Taalunie een nieuwe spelling afgesproken. In een in opdracht van de Taalunie geschreven studie concludeert de Nijmeegse hoogleraar volkenrecht mr. K.C. Wellens dat dergelijke afspraken door middel van een wet, dus met tussenkomst van het parlement, moeten worden uitgevoerd. De verdragspartijen bij de Taalunie “zullen de geldende regels moeten aanpassen door rechtshandelingen van hetzelfde niveau; in Nederland door een wijziging van de Spellingswet, in België door een decreet (wet die niet geamendeerd kan worden, red.), of een besluit van de Vlaamse Executieve”.

De Vlaamse volksvertegenwoordiging beslist binnen twee weken over het decreet van de spellingswijziging, maar de Nederlandse regering wil de spellingswijziging zonder raadpleging van het parlement met een Algemene maatregel van bestuur invoeren. Een besluit van het Nederlandse kabinet is nu onderweg naar de Raad van State voor advies.

Volgens Jurgens moet de hele spellingsvernieuwing bij wet worden geregeld. Maar een woordvoerder van het ministerie van Onderwijs erkent dat slechts een klein onderdeel van de spellingsvernieuwing, namelijk trema's, apostrof, verbindingsstreepjes en dergelijke, wettelijk moet worden vastgelegd. Hij vindt dat van ondergeschikt belang. Kamerleden van verscheidene partijen hebben de spellingswijzigingen al in de Interparlementaire Commissie van de Taalunie goedgekeurd, zodat een nieuwe raadpleging van de beide Kamers niet meer nodig zou zijn. “De Algemene maatregel van bestuur continueert grotendeels de bestaande situatie in de spelling. Een wetswijziging is dan wat groot”, aldus de woordvoerder. Volgens hem is een klein gebrek aan de Algemene maatregel van bestuur geen bezwaar.

Voor Nederland en Vlaanderen in 1980 tot de Taalunie toetraden werd de spelling hoofdzakelijk geregeld in de Spellingswet van 1947, gecombineerd met een paar latere uitvoeringsbesluiten en de officiële woordenlijst van de Nederlandse taal. Volgens het Taalunieverdrag uit 1980 bepaalt het Comité van ministers van de Nederlandse regering en de Vlaamse deelregering de “officiële spelling en spraakkunst van de Nederlandse taal”. De ministers zouden ook toezicht houden op de uitvoering van de besluiten van de Taalunie.

Pagina 2: Trema's en streepjes moeten bij wet worden geregeld

In 1994 stelde het Comité van ministers op advies van de Raad van de Taalunie de nieuwe spelling vast. Het besluit zou worden voorgelegd aan de Nederlandse en Vlaamse regering en “via het eigen juridisch instrumentarium moeten worden uitgewerkt en in beide landen gelijktijdig worden ingevoerd”.

Volgens het boek van Wellens is in Nederland een wet het “eigen instrumentarium”. Dat geldt zeker voor de door de Taalunie voorgestelde wijziging van “diacritische tekens” zoals verbindingsstreepjes, afbrekingen en trema's. De omstreden samenstellingen (koekenpan) en bastaardwoorden (kopie) mogen volgens Wellens wél per Algemene Maatregel van Bestuur worden geregeld. Ook voormalig minister van justitie, F. Korthals Altes, neigt tot die conclusie. De wet van 1947 droeg de regering namelijk op die wijzigingen zelf te regelen. Maar volgens Jurgens heeft de wet slechts voor een keer opdracht tot wijziging gegeven en die opdracht is in 1953 uitgevoerd. “Men kan niet vijftig jaar later teruggrijpen op dat mandaat”, zegt Jurgens. “We moeten de koninklijke weg bewandelen en het parlement laten beslissen”.

Korthals Altes herinnert zich dat zijn vroegere Leidse hoogleraar P. Cleveringa in 1950 de toenmalige spelling niet erkende wegens het ontbreken van een wettilijke basis, omdat de Spellingswet van 1947 niet in werking was gesteld. De in te voeren spellingswijziging is alleen dwingend voor ambtenaren en onderwijsgevenden. Verder is iedereen vrij om zich er al dan niet aan te houden. Leraren zouden in navolging van Cleveringa een weigering om aan de nieuwe spelling mee te doen voor de rechter kunnen verdedigen. Maar de woordenboeken en woordenlijsten met de nieuwe spelling zijn al gedrukt.

Volgens het Taalunieverdrag moeten het Nederlandse parlement en de Vlaamse Raad de nieuwe spelling wel aannemen. Als dat niet gebeurt, ontstaat er een impasse. Volgens Jurgens en Wellens en J. van Hoorde van de Taalunie heeft het Taalunieverdrag geen rechtstreekse werking voor burgers, zodat een uitvoeringsbesluit noodzakelijk is.

Volgens Korthals Altes zou het juridische probleem kunnen worden gerepareerd met een nieuwe mandaatwet, waarin de bevoegdheid tot spellingsregeling wordt gedelegeerd aan de minister. Een dergelijke wet zou als hamerstuk kunnen worden afgedaan. “Tweede Kamerleden zien er toch geen brood in”, aldus Korthals Altes.