Produktschappen zijn een zegen voor de werking van de markt

E.J. Bomhoff noemde de produkt- en bedrijfsschappen onlangs niet meer van deze tijd.

Ze kunnen maar beter verdwijnen: “Schrap het Schap”. Frans van Waarden en J.W. Wessel zijn dit niet met Bomhoff eens.

Verplichte heffingen zijn nuttig en nodig voor de financiering van collectieve voorzieningen. Bovendien zorgen de schappen voor een betere marktwerking.

In bepaalde kringen is het bon ton ongenuanceerd en ongefundeerd uit te halen naar de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) ofwel de schappen in Nederland. Produkt- en bedrijfschappen zijn immers veertig jaar oude, inmiddels vermolmde corporatische organen, uit confessionele hoek ontsproten en bovendien ook nog met een besmet (Duits) verleden. Ze belemmeren de marktwerking en kosten de ondernemers handenvol geld en tijd, terwijl ze niets toevoegen, oncontroleerbare politieke invloed uitoefenen en oneigenlijke taken vervullen met gemeenschapsgeld.

Ziehier een handvol (voor)oordelen, die kwistig worden rondgestrooid door de absolute voorstanders van de vrije marktwerking respectievelijk van het afschaffen van alle instituten van veertig jaar of ouder, die niet uit eigen politieke koker zijn voortgekomen. Inmiddels heeft ook E.J. Bomhoff zich onder hen geschaard (NRC HANDELSBLAD, 25 maart).

Als deze (voor)oordelen echter kloppen, moeten de schappen vandaag nog worden afgeschaft. Helaas voor deze ideologen ligt de werkelijkheid iets genuanceerder.

In de eerste plaats is de marktbelemmerende of -verstorende werking tot op heden door niemand feitelijk aangetoond. Hier doet zich het papegaai-effect voor, waarbij de één de ander napraat zonder een deugdelijk onderzoek naar de feiten te doen.

Nog afgezien van het gegeven dat de Wet op de Bedrijfsorganisatie (1992) in artikel 93, lid 5 duidelijk aangeeft dat verordeningen de gezonde mededinging niet in de weg mogen staan, hebben ook schappen zich te houden aan het geldende Nederlandse en Europeesrechtelijke kader terzake. Bovendien aarzelen ondernemers niet om bij vermeende strijd met genoemd artikel c.q. overige wetgeving direct en luid aan de bel te trekken.

De taak van schappen is juist veeleer om de markt voor de aangesloten bedrijven transparanter te maken en daardoor de marktwerking te verbeteren. Via branche-gespecialiseerde informatie en voorlichting worden vooral branches met veel MKB-bedrijven door hun schap op maat bediend.

Dat wil zeggen dat algemene informatie wordt toegespitst op de specifieke branche-behoefte en problematiek voor bedrijven die veelal te klein zijn om dat door eigen (staf-)personeel te laten doen.

Ten tweede wordt in politieke kringen - met de heer Bolkestein voorop - gesteld dat het maar eens uit moet zijn met het lobbyen door de schappen. Voor zover er een argumentatie bij deze stelling wordt gegeven, beperkt deze zich tot het vermelden dat een schap een overheidsorgaan is en als zodanig niet bij de (andere) overheid mag lobbyen. Dat is een taak van de private werkgevers- en werknemersorganisaties.

Afgezien van de inhoudelijke waarde van deze opvatting, rijst de vraag hoe zulks dan ligt bij provincies, gemeenten, kamers van koophandel, en dergelijke. Een niet onaanzienlijk deel van hun tijd en inspanningen zijn er juist op gericht invloed uit te oefenen op hun collega-overheden. Bestuurders worden zelfs op deze eigenschappen en vaardigheden geselecteerd! Het principiële verschil tussen de schappen en de andere genoemde overheidsorganen ontgaat mij.

Een derde en laatste thema uit de lange rij vooroordelen betreft het gedachte oneigenlijke karakter van een aantal schapstaken. Als ik me beperk tot het financieren en doen uitvoeren van collectieve promotie (bijvoorbeeld voor zuivel, bloemen, kappers, etcetera), wordt gesteld dat zulks geen taak voor de schappen is. De schappen zijn immers overheid en de (collectieve) promotie is geen overheidstaak.

Consequent doorredenerend betekent dit dan ook, dat het Ministerie van Economische Zaken onmiddellijk moet stoppen met het subsidiëren van het Nederlands Bureau voor Toerisme, het organiseren en financieren van (ministeriële) handelsmissies, enzovoorts. Dat geldt ook voor reislustige bestuurders van provincies en gemeenten en voor de handelsbevorderende en/of promotionele activiteiten van de kamers van koophandel.

Bovendien is het nog maar de vraag of schappen in deze zin als overheid moeten worden gezien. Als werkgevers en werknemers in het schapsbestuur gezamenlijk besluiten uit een collectieve heffing promotie te financieren en daarvoor voldoende draagvlak vinden in de betrokken branche, zie ik niet in waarom dat niet zou kunnen of mogen.

Overigens is het saillant te constateren dat in de liberale economie bij uitstek, namelijk de Verenigde Staten, na tien jaar discussiëren de conclusie is getrokken dat de financiering van de noodzakelijk geachte collectieve bloemenpromotie alleen op basis van een wettelijke bijdrageplicht goed te regelen was.

Ik stel voor de discussie rond de schappen verder met zakelijke argumenten te voeren en de zaken aan te pakken waar dat nodig of gewenst is. Het memorandum 'Aan de slag' van een werkgroep afkomstig uit de PBO geeft hiervoor prima aanknopingspunten.