Oud-wegenwacht nog verliefd op zijn Harley met zijspan

DEN HAAG, 16 APRIL. Temidden van tachtig gepoetste oude en nieuwe auto's schittert het speldje in de zon. Nummer 13 staat erop met daaronder de logo's van de ANWB en de Wegenwacht. Wim Rombout, de eigenaar, houdt het trots in zijn handen. In 1950 begon hij bij de Wegenwacht, als dertiende monteur. Al die jaren heeft hij het speldje bewaard. Het blinkende metaal om hem heen ten spijt, Rombout (70) glimt het meest. De Wegenwacht bestaat vijftig jaar en alle oud-werknemers mochten gisteren naar het hoofdkantoor in Den Haag komen.

Vierhonderd mensen vierden het jubileum, met Prins Bernhard als middelpunt. Als ere-voorzitter van de ANWB nam hij een defilé af, waarbij een reeks oude voertuigen de geschiedenis van de Wegenwacht in beeld bracht. Historische personenauto's en mensen in de kleding van die tijd vulden de stoet aan.

Rombout vindt de gele Harley Davidson Liberator met zijspan het mooiste voertuig. Als de prins de karavaan nader heeft bekeken, staat hij als eerste bij die machine. Hij meent dat het de motor is waarop hìj zijn eerste tochten reed. “Je zit er lekker op, maar ze vergen wel een hoop onderhoud”, weet Rombout. “Schitterend toch”, verzucht hij, “we kregen ze zo uit de dump.” De BSA die ernaast staat, herkent hij ook. Op die motor maakte hij zijn laatste ritjes, voor hij inspecteur werd.

“Een prachtige tijd”, vond Rombout die periode. Hij schat dat hij meer dan 500.000 kilometer op motoren heeft afgelegd. Vroeger ging het er volgens hem heel anders aan toe dan tegenwoordig. “Er is vanaf 1975 steeds meer techniek en elektronica bij komen kijken. Ik geloof dat Simca met de eerste elektronische ontstekingen begon, nou dat was echt algebra voor mij. Het werken werd toen moeilijk”, zegt Rombout, die negen jaar geleden in de vut ging. Hij heeft veel bewondering voor de huidige 750 wegenwachters: “Ze hebben het veel zwaarder dan ik vroeger.”

Toen Rombout net bij de Wegenwacht aan de slag ging, bleven de problemen voornamelijk beperkt tot verstoppingen in de benzinetoevoer en de ontstekingen. Volgens de oud-wegenwachter waren die te wijten aan het feit dat alle auto's in de oorlog ondergronds stonden. Wanneer de rijdende mecaniciens - in 1946 begonnen ze met zijn zessen - de mankementen niet meer konden verhelpen, haalden ze zelf de onderdelen op een sloperij. Nieuwe onderdelen waren nauwelijks te krijgen. Als ze geluk hadden, beschikten de nog aanwezige Engelsen over nog wat oude voorraden. De pioniers op de motor waren vooral aangewezen op hun eigen inventiviteit. “Ik heb wel eens van twee buitenbanden één exemplaar gemaakt, met behulp van koeienmest”, aldus Rombout.

Vroeger, in wat Rombout noemt “de gouden tijd zonder computers en praatpalen”, kon de wegenwachter nog niet worden opgeroepen. Rombout moest zelf op zoek naar stilstaande wagens, “maar ook naar echtgenotes die uit de auto waren gezet of paarden die in de sloot lagen”. “We hadden toen maar drie of vier klusjes per dag, je was blij als je wat vond.” In de eerste anderhalf jaar had de ANWB 33.000 pechmeldingen, in 1995 waren dat er 828.000.

“Als het sneeuwde”, herinnert Rombout zich, “gebeurde er gelukkig méér.” Eens trof hij een laveloze man aan die op de weg Utrecht-Den Bosch lag. Het was een visser die in een café had gezeten en daarna naar de vissersmis wilde. Hij was zo dronken dat hij zijn stekkie nooit heeft gehaald. Rombout kan er nog hard om lachen. Hij geniet op de reünie van de Wegenwacht. Natuurlijk wil hij nog een biertje van een oud-collega, want het is feest.

    • Tim Korenhoff