Britse privatiseringen bleek handelsmerk Tory's

LONDEN, 16 APRIL. Na zeventien jaar Conservatief bewind loopt de privatisering van de Britse staatsondernemingen ten einde. Voor een totaalbedrag van ruim 65 miljard pond, zo'n 170 miljard gulden, heeft de Britse regering sinds 1979 enkele honderden bedrijven verkocht.

In de eerste fase gingen de firma's van de hand die op de internationale markt moeten concurreren, zoals British Aerospace, British Airways, British Steel, Jaguar, Rover en Rolls-Royce. Later kwamen de ondernemingen aan de beurt die op de nationale markt een monopolie-positie bezaten, zoals British Telecom en de gas-, water- en lichtmaatschappijen. Naarmate het privatiseringsproces vordert, wordt de financiële en politieke winst van de transacties steeds kleiner. In de laatste fase van de grote uitverkoop resten alleen nog maar bedrijven waarvan de verzelfstandiging hoogst omstreden en niet zonder risico's is.

Daarbij gaat het volgende maand om de beursgang van Railtrack, eigenaar van de spoorwegen en stations. In de zomer volgt de beursintroductie van British Energy, eigenaar van de Britse kerncentrales. Privatisering van de post heeft het kabinet in deze regeringsperiode niet meer aangedurfd.

De Conservatieven houden krampachtig vast aan privatisering omdat ze die operatie als een hoeksteen van hun beleid beschouwen. Het is hun handelsmerk geworden, zo ongeveer het enige wat hen nog fundamenteel van de oppositie onderscheidt. Privatisering was altijd het stokpaard van de voormalige premier Margareth Thatcher. Daarbij kunnen de Tory's de opbrengst van de beursintroducties maar al te goed gebruiken voor de substantiële belastingverlaging die ze in de aanloop naar de verkiezingen hebben voorzien.

Labour verwijt de Conservatieven opportunisme en dogmatisme. Volgens de grootste oppositiepartij heeft de regering privatisering tot doel verheven, tot een heilige koe. Aanvankelijk was privatisering niet meer dan een middel om bureaucratische staatsbedrijven te dwingen tot hogere produktiviteit en betere dienstverlening. Labour bestrijdt niet dat die aanpak in de eerste fase van de privatisering uitstekend heeft gewerkt. Volgens het Britse ministerie van financiën kostten de genationaliseerde bedrijven elke belastingbetaler in 1979 bijna 300 pond. Vorig jaar leverden diezelfde firma's in de particuliere sector elke belastingbetaler ruim 100 pond op.

Maar in de tweede fase is het privatiseringsproces ontspoord, vindt Labour. Nutsbedrijven werden veel te goedkoop verkocht, wat blijkt uit de verdubbeling tot verdriedubbeling van hun waarde sinds de beursintroducties. Dat leverde de kapitaalverschaffers snelle winst op, maar scheelde de staat, en daarmee de burgers, enkele miljarden ponden aan inkomsten.

Anders dan bij bedrijven als British Airways en Rolls-Royce, zegt Labour, leidde de privatisering van de nutsbedrijven niet of nauwelijks tot grotere efficiëntie, lagere prijzen en betere service. Dat kwam omdat ze nog altijd een monopoliepositie hadden in een beschermde markt. Ze konden het zich permitteren om naar maximalisering van winsten te streven en te bezuinigingen op kwaliteit, investeringen en veiligheid zonder dat ze door de concurrentie werden afgestraft. Een groeiend aantal klachten over de nutsbedrijven en excessieve loonsverhogingen van directeuren hebben privatisering de afgelopen jaren een steeds slechter naam bezorgd.

Tegenstanders van de beursgang van Railtrack vrezen dat de klanten en werknemers bij de privatisering van de spoorwegen ook weer sluitpost zullen vormen. Sir Bob Reid, de laatste bestuursvoorzitter van het inmiddels opgeheven Brirtish Rail, voorspelde dat verzelfstandiging zou leiden tot “buitensporig hoge kosten en een gigantische bureaucratie”. De belangenorganisatie Save Our Railways, voorziet dat eenderde van de Britse spoorverbindingen binnen twintig jaar opgeheven wordt.

Vooruitlopend op de verkoop werd British Rail twee jaar geleden al opgedeeld in bijna tachtig bedrijven. Vijfentwintig regionale treinmaatschappijen verzorgen het reizigersvervoer. Het rijdend materiaal huren ze van drie gespecialiseerde bedrijven. Railtrack moeten ze betalen voor het gebruik van het spoor en de stations. Van het oude British Rail is Railtrack met een jaaromzet van 2,27 miljoen pond, een bedrijfsresultaat van 300 miljoen pond en 11.500 werknemers het grootste onderdeel.

Ondanks de privatisering blijven de Britse spoorbedrijven afhankelijk van overheidssubsidie. Daarbij gaat het om een bedrag van 1,8 miljard pond per jaar. In ruil heeft de overheid bedongen dat de prijzen van treinkaartjes de komende drie jaar nauwelijks zullen stijgen. Meerjaren-contracten tussen Railtrack en de treinmaatschappijen moeten ervoor zorgen dat de Britse treinen weer op tijd gaan rijden. Vertragingen en annuleringen komen de bedrijven te staan op fikse boetes. Verder heeft Railtrack aangekondigd dat het de komende tien jaar tien miljard pond in het spoornet wil investeren, 15 tot 20 procent meer dan in de tijd van British Rail. De Britse spoorwegen zijn van oudsher berucht vanwege hun onbetrouwbaarheid en hun verouderd materieel.

    • Dick Wittenberg