Voor IHC Caland gaat de zon nauwelijks meer onder

IHC Caland (baggermateriaal/offshore) heeft de orderportefeuille in twee jaar tijd zien verviervoudigden. Op de beurs is het rendement van Caland hoger dan van beleggers-lievelingen als Heineken en Aegon En de rek is er nog niet uit.

SLIEDRECHT. 10 APRIL. Eind jaren tachtig dreigde IHC Caland drastisch te ontsporen. Er was een situatie ontstaan dat minderheidsdeelnemingen de winst van het bedrijf bepaalden en specifieke Hollands Glorie- en kernactiviteiten als het baggeren naar de achtergrond dreigden te verdwijnen. Maar met de komst van oud-marineman Jan-Diederick Bax (“ik heb een sterk ontwikkeld Oranjegevoel”) veranderde dat op slag.

Minderheidsdeelnemingen in bedrijven die niets met de kernactiviteiten van Caland te maken hadden alsmede de verkoop van het belang in lokale oliemaatschappijen veranderden het bedrijfsprofiel van IHC Caland volledig. De bouw van baggerschepen en drijvende platformen voor de produktie en opslag van olie (FPSO's) werden tot kernactviteiten van het bedrijf gebombardeerd. “We zijn geen oliemensen”, zegt Bax. “We maken spullen voor oliemensen. We gaan geen risico's nemen voor dingen die onder de grond zitten.”

Wat dat laatste betreft heeft Bax zijn les geleerd. Als commissaris van verschillende kleine oliemaatschappijen in de Verenigde Staten waar IHC Caland een minderheidsbelang in had kon hij een tijdje in de keuken kijken. “Ik heb geen verstand van die branche”, constateert Bax. “Daarvoor moet je wieg in Houston of Dallas hebben gestaan. Die boys spelen elkaar de bal toe. Als buitenstaander voelde ik me bij de neus genomen.”

Tegenwoordig beheert Bax met zijn financieel directeur Docherty (“een Schot die is nog zuiniger dan ik; een mooie combinatie”) een rijk waar de zon niet onder gaat. “Wanneer Irak straks weer op het olietoneel verschijnt komt er prijsdruk en wellicht wat paniek in de offshore. Maar dan valt er na het verwaarlozen van allerlei activiteiten in Irak de laatste jaren wel weer wat te baggeren. Zo verdien je altijd wat.”

De teloorgang van Fokker mag dan als een slagschaduw over de Nederlandse kapitaalgoederen industrie hangen, bij IHC Caland kan het succes momenteel nauwelijks op. Bax vent nuchterheid graag als handelsmerk van het bedrijf uit. “We zijn geen empire-builders, kiezen voor organische groei. We hebben het intern altijd over concentrische groei: nieuwe activiteiten altijd laten aansluiten bij wat je al doet. Dat is beter dan een wilde sprong in de wereld”, zegt hij. Opdrachtgevers - oliemaatschappijen, offshore aannemers en baggermaatschappijen - zouden snelle expansie door acquisities niet accepteren omdat zij veel waarde hechten aan concurrentie en - bij aanwezigheid daarvan - desnoods nieuwe concurrenten in het zadel helpen.

Om de orderportefeuille te vullen richt IHC Caland het vizier op de verste uithoeken van de wereld; het Verre en Midden-Oosten, Latijns-Amerika, China. De wereld raakt voorlopig niet uitgebaggerd, is de stellige overtuiging van de IHC-top. “Zeventig procent van de wereldbevolking woont in rivierbeddingen, er valt dus nog heel wat te doen”, rekent directeur ir. J.J.C.M. van Dooremalen voor. “We hebben sinds jaar en dag een sterke internationale oriëntatie. We specialiseren ons in niche-markten. Je hebt dan een wereldmarkt nodig om voldoende volume te halen”. IHC Caland haalt zeventig procent van de omzet in het 'verre buitenland'

Van Dooremalen is van huisuit scheepsbouwkundig ingenieur. Hij representeert de techniek, Bax is in woord en gebaar de belichaming van commerciële bravour. Bax: “We reizen ons een ongeluk, zitten een groot deel van het jaar in het vliegtuig”. Bax's visie op Nederland, waar de moraal lange tijd hoeksteen van de handelspolitiek was, is aanmerkelijk positiever geworden. De herijking van het buitenlands beleid markeert volgens de IHC Caland-top een “goede koers” hoewel in het politieke beleid ten aanzien van 'gevoelige' exportgebieden, zoals Indonesië, best wat meer “sense of urgency” mag ziiten. “De markt wacht niet op overleg tussen regeringen.”.

Bax: “In de zeventiger jaren dacht ik: we gaan naar onze moer. De vakbonden zijn heel redelijk geworden, we hebben op tijd ons opgestoken vingertje laten zakken.” Hij contateert een toenemende weerzin tegen avontuur. “Vroeger gingen toch alle jonge kerels die wat durfden naar Indië. Het is nu veel moeilijker om ze over de schutting te krijgen. De vrouw heeft een baan en wil hier carrière maken.”

IHC Caland bouwt schepen voor ondermeer de baggerindustrie en natte mijnbouw voor circa de helft zelf op de werven van IHC Holland in Sliedrecht en De Merwede in Hardinxveld-Giessendam. Het bedrijf ontwerpt de olieoverslag-, opslag- en produktiesystemen (opslag- en produktieplatforms) voor de offshore zelf en besteedt vervolgens de fabricage daarvan geheel uit. “Wat de olieindustrie betreft doen we meer het witte-boordenwerk”, constateert Bax. Bij IHC Caland werken 1840 mensen, waarvan 1200 in Nederland. “Het geheim van de smid”, onthult Bax, “is zoveel mogelijk te verkopen, om vervolgens de bouw uit te besteden.” Wat betreft de personeelsbezetting wil het bedrijf “klein en flexibel” blijven. Eind jaren tachtig werkten bij IHC Holland in Kinderdijk nog 2.500 mensen. Bax: “We proberen het vaste personeel te beperken tot zeventig procent van wat je voor een doorsnee orderportefeuille nodig hebt, de rest van het werk wordt uitbesteed of uitgevoerd met ingeleend personeel.” De werklust van de mensen is groot, evenals de trouw aan het bedrijf, zegt Bax. “We zitten hier in het goede deel van Nederland: weinig ziekteverzuim, het verloop onder het personeel is slechts 1,5 à twee procent per jaar. Een ouderwetse mentaliteit, in de goede zin van het woord.”

De Merwede werd in 1993 aangekocht om de werf uit handen te houden van de concurrentie en referenties te krijgen in aanpalende markten. “Een typische lelijke eend die veranderd is in een mooie zwaan”, zegt Bax tevreden. “Alle werkmaatschappijen van IHC Caland hebben het afgelopen jaar bijgedragen aan de winststijging van 17 procent naar 75,3 miljoen gulden. Dat komt door de onderlinge synergie van de bedrijven. Er zijn geen branchevreemde activiteiten meer.”

Hoewel een grote Nederlandse baggeraar als Boskalis - marktleider in de wereld - zich soms terughoudend uitlaat over het eigen financiële toekomstperspectief, denkt IHC dat de baggersector voor volop werk blijft zorgen. “We voelen dat gewoon aan ons water”, aldus Bax. Ook Boskalis, dat volop deelde in de malaise die de sector in de jaren tachtig trof, heeft grondige vernieuwing van de vloot aangekondigd. “Er komen vele honderden miljoenen aan investeringen. De markt houdt volume, de vernieuwingsrace speelt ons in de kaart, Bovendien exporteren wij naar gesloten markten, zoals China en India waar overheidsbedrijven het baggeren in handen heeft”. In China lonkt voor de baggeraars de verdieping van de rivier de Yangtze, die wellicht ook nog verbonden wordt met de Gele Rivier. Bij de monding van de Yangtze is een krachtig industrieel groeigebied aan het ontstaan. Bax euforisch: “Daar komen misschien wel drie Europoorten te liggen.” Ook in andere delen van de wereld doemen 'mega-baggerprojecten' op, zoals de nieuwe luchthaven bij Hongkong waarvoor het grondwerk al is voltooid.

In de internationale baggermarkt gaat het vooral om één vraag, zoals directeur Dooremalen schetst: “Hoe valt de prijs per kubieke meter baggeren omlaag te brengen.” De capaciteit van de schepen wordt aanzienlijk uitgebreid (vergroot laadvermogen, beperkte diepgang), automatisering van het hele baggerproces neemt een hoge vlucht. IHC leverde in 1990 nog een hopperzuiger aan de Belgische aannemer Jan de Nul met een capaciteit van 11.000 kubieke meter. Bax: “Dat lijken nu al weer de Middeleeuwen. Dat schip is al weer een wereld van verschil met 18.000 kubieke meter hopperzuiger die we dit jaar voor De Nul afleveren.”

De werf bouwde anderhalf jaar geleden een zeegaande stationaire zuiger voor Taiwan, die bij een golfhoogte van vijf meter rustig verder kan baggeren. Bax: “Daarmee is al meer dan dertig miljoen kubieke meter bagger aan wal geperst”. Van Dooremalen: “Een auto dring je aan de markt op, maar bij ons zorgen de opdrachtgevers voor de operationele input. In overleg met hen werken we aan nieuwe concepten, die, zoals in het geval van Taiwan, zijn toegesneden op lokale of regionale omstandigheden. Costom built dus”. IHC besteedt zo'n twee procent van de omzet aan research en ontwikkeling, per jaar zo'n zeven miljoen gulden.

Hoewel 71 procent van de winst uit gewone bedrijfsvoering, die door Bax voor dit jaar op minimaal 86 miljoen gulden wordt geschat, momenteel uit de offshore komt kan het bedrijf de orders uit de baggerindustrie nauwelijks aan. In aanbouw is een sleephopper voor Ballast Nedam. De Amsterdamse rederij Spliethoff/Mammoet heeft drie zware transportschepen besteld met een optie op een vierde. Wegens onderbezetting van de werven moest daardoor nee worden verkocht tegen Boskalis voor de bouw van een grote sleepzuiger. Boskalis en Ballast-Nedam zullen volgens Bax altijd het nieuwste en modernste materiaal nodog hebben om wereldwijd de strijd te kunnen aangaan met concurrenten uit het Verre Oosten. “Anders worden ze van baas knecht en zijn ze bij nieuwe opdrachten niet meer dan subcontractors.

In het Verre Oosten is Caland erg actief. Na de aarbeving in Japan in Kobe heeft IHC Caland 23 hydraulische heihamers geleverd. Zelfs de vermaarde Koreaanse scheepsbouwindustrie (Samsung Construction) klopte bij Caland aan voor een 16000 pk wielzuiger voor de Koreaanse baggerindustrie.

    • Harry Meijer
    • Marc Serné