'Ik zie het en ik denk: fijn, Nuis komt los'

De universiteiten en hogescholen, de kunsten en het mediabestel behoren tot zijn portefeuille. Hij trok langs zestien zalen in het land om over het hoger onderwijs te debatteren, hij filosofeerde over cultuurbeleid in een beleidsnotitie en hij benoemde een commissie om te adviseren over de toekomst van het omroepbestel. Te veel gepraat, te weinig gedaan, zo luidde de kritiek. Maar de stemming begint zich ten goede te keren: 'Nu komt hij toch wel met dingen'. Portret van A. Nuis, staatssecretaris tussen denken en doen.

Zelden eerder ontving de Tweede Kamer een beleidsnotitie met daarin citaten als: 'Stil! Hoor! De nachtegaal hervat/ zijn lied in 't hart van de stad' (Martinus Nijhoff). En: 'Warmte waait/ overal oogleden/ de blinde vrucht ontwaakt' (Lucebert). Zoals ook: 'Hier meren en schepen uit vier hemelstreken/ De kade is een Babel aller talen' (Ida Gerhardt).

De strofen zijn opgenomen in Kamerstuk 24 247, 'Uitgangspunten voor cultuurbeleid', met als ondertitel 'Pantser of ruggegraat'. Afzender: A. Nuis (62, D66), de langste staatssecretaris van Hare Majesteit, belast met Cultuur, Media en Hoger Onderwijs.

Als intellectueel boegbeeld is hij in de zomer van 1994 binnengehaald in het kabinet-Kok. Het is zelfs een departementale herindeling waard geweest. Cultuur is teruggekeerd in de schoot van Onderwijs en Wetenschappen. Nuis is de staatssecretaris van Cultuur in de breedste zin van het woord: van Zingeving, van Samenhang, van Houvast, van Gemeenschappelijkheid in een Middelpuntvliedende Samenleving - en vele andere zelfstandige naamwoorden van vergelijkbare strekking die Nuis graag opvoert in woord en geschrift.

En intussen moet er op gewone werkdagen ook gewoon beleid worden gemaakt. Bewindslieden zijn beleidsmachines. In dat jargon: tot de voornaamste dossiers van Nuis behoren aanpassingen aan het stelsel hoger onderwijs, een nieuwe Cultuurnota voor de periode 1997-2000 en de toekomst van de publieke omroepen. Hoe gaat het met Aad Nuis, tussen denken en doen?

Het gaat uitstekend met “de aangename persoonlijkheid” die Nuis heet te zijn. “Hij is hartelijk, toegankelijk, gesprekken met hem zijn inspirerend en enthousiasmerend”, zegt F. de Ruiter, directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. S. van Gool, voorzitter van de landelijke studentenorganisatie ISO, vult aan: “Hij is aimabel en oprecht geïnteresseerd in je mening en motivatie.”

Maar dan. “Als lid van het kabinet straalt hij te weinig kracht uit”, meent De Ruiter, die tevens actief is in een belangenvereniging van culturele instellingen, Kunsten '92 genaamd. “Nuis knokt wel voor zijn zaak, maar hij wint te weinig. Extra geld binnenslepen voor de monumentenzorg is mooi, maar in het politieke spel over bezuinigingen op de kunstsector en de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars heeft hij tot nu toe weinig resultaat geboekt.” Studenten-voorman Van Gool: “Hij is te weinig dominant. In het debat over het hoger onderwijs heeft hij zich uiteindelijk opzij laten drukken door Ritzen. Veel praten, weinig bereiken: dat lijkt me toch een beetje het probleem van Nuis.”

Wat vooraf ging. Bij de kabinetsformatie, in de zomer van '94, ontstond verwarring over een nieuwe opzet van het hoger onderwijs, waarin - naar Angelsaksisch voorbeeld - bachelors en masters zouden worden opgeleid. Het idee sneuvelde al snel. Uiteindelijk ging Nuis aan de slag met plannen voor aanpassing van het bestaande stelsel. Het werd het tegenovergestelde van achterkamertjes-politiek. Nuis trok langs zestien zalen in het land om met studenten, docenten en onderzoekers te debatteren over de kwesties en kansen in het hoger onderwijs. Het heette al snel: Circus Nuis.

Met als resultaat: “Niets”, zegt J.K.M. Gevers, voorzitter van het college van bestuur aan de Universiteit van Amsterdam. “Het was ook een hopeloos idee om met boeren, burgers en buitenlui te gaan praten over een onderwerp dat zich niet leent voor een nationale discussie. Het Nederlandse stelsel hoger onderwijs dient zich te voegen naar internationale ontwikkelingen. Zo'n circus-opzet zie ik als een weeffout van D66. Men gelooft er sterk in publieksdebatten en referenda en praten tot je erbij neervalt. Nuis doet daar naar hartelust aan mee. Ik, als burger, ben zo vrij te denken dat je over democratie iets dieper moet nadenken. Je moet je energie steken in grondige analyses van moeilijke vraagstukken en daarbij je gesprekspartners met zorg kiezen. In zo'n zaal zitten met z'n allen is lief en onschuldig en iedere staatssecretaris is vrij zijn eigen tijd in te delen. Maar resultaat hoef je er niet van te verwachten.”

Het is vooral kritiek op de vorm, niet zo zeer op de inhoud van Nuis' beleid, zo onderstreept Gevers. “Het is een juiste beslissing geweest Cultuur weg te halen bij Volksgezondheid en weer bij Onderwijs en Wetenschappen te plaatsen. Zo langzaamaan begint Nuis interessante dwarsverbanden te leggen. Hij maakt beleid voor het beheren en conserveren van universitaire collecties. Hij wil cultureel getinte opleidingen, voor archieven, bibliotheken en kunstrestauratie bijvoorbeeld, een betere plek in het onderwijsbestel te geven. Zo kan ik nog wel meer voorbeelden geven. Er valt goed te leven met deze staatssecretaris.”

Het oordeel van J.M. de Vries, Tweede-Kamerlid voor de VVD, valt eveneens gunstig uit. “Ach, in dat circus heeft iedereen even stoom kunnen afblazen. Dat is niet verkeerd geweest. We hebben hier immers te maken met universiteiten en hogescholen: een assertief deel van de samenleving. Er is in de tijd van de kabinetsformatie veel commotie geweest over bezuinigingen en die stelselwijziging. De hoofdlijn moet we intussen niet uit het oog verliezen. We hebben in februari een 'Hoger Onderwijs- en Onderzoeksplan' vastgesteld waarin belangrijke veranderingen worden aangekondigd: mogelijkheden om studies minder rigide in te richten, financiële autonomie van de instellingen, een minder starre bestuursstructuur, betere aansluiting van VWO en MBO op het hoger onderwijs, etcetera. Het is flauw om te zeggen dat Nuis zich daarbij aan de kant heeft laten zetten door Ritzen. Ze hebben het samen gedaan. Ze kunnen goed samenwerken. Dat is een kwaliteit en geen uiting van slapte.”

Het “lieve en onschuldige” Circus Nuis staat niet op zichzelf. Ook in kringen van cultuur en media klinkt enige wrevel over de omslachtige beleidsmethoden van de staatssecretaris. J. Jessurun, voorzitter van de Raad voor Cultuur, over 'Pantser of Ruggegraat', de notitie ter voorbereiding van de Cultuurnota 1997-2000: “Dat stuk had wat mij betreft niet geschreven hoeven worden. Inmiddels heeft Nuis ons een adviesaanvraag gestuurd voor de Cultuurnota. Dat stuk is helder en in beleidsmatig opzicht veel interessanter. Die eerdere notitie kijk ik eigenlijk nooit meer in.”

De voorzitter van de Raad voor Cultuur oordeelt in voorzichtige bewoordingen over Nuis. Dat hoort bij zijn rol als adviseur van de Kroon. “Ik begrijp heel goed dat Nuis pratend en denkend en schrijvend zijn weg zoekt. Dat past bij zijn karakter. Het past ook heel goed bij de sector waarin hij opereert. In dat opzicht zou zijn manier van optreden wel eens effectiever kunnen zijn dan die van zijn voorgangers. Brinkman kwam met een controversiële Mediawet en d'Ancona deed veel stof opwaaien met ideeën over rijkskeurmeesters voor de kunsten. Echt veel bereikt hebben ze daarmee niet. In dat licht gezien kan ik de voorzichtigheid van Nuis zeker waarderen. Maar nu wordt het zo langzaamaan tijd om ook iets te laten zien. Die Cultuurnota wordt wat dat betreft the proof of the pudding.”

M.M. van Zuijlen, Tweede-Kamerlid voor de PvdA, spreekt vergelijkbare hoop uit. Ze heeft gemengde gevoelens over een adviescommissie (de commissie-Ververs), die in opdracht van Nuis moet adviseren over de toekomst van de publieke omroepen: “Nuis had zelf een goed plan in mei vorig jaar en toen is hij toch nog met zo'n commissie gekomen. Wij hebben daarmee ingestemd, maar je kunt je afvragen of het niet zonde van de tijd is geweest. Ik hoop niet dat het uitloopt op een nieuwe patstelling.” VVD-leider F. Bolkestein oordeelde in september vorig jaar vernietigend over het instellen van deze omroepcommissie: “Nuis speelt viool terwijl Hilversum in brand staat”, zei de liberale voorman op een partijbijeenkomst in het Gooi. “Een commissie, daar hebben we niks aan. De staatssecretaris moet zeggen wat hij wil. Dan zorgen zijn ambtenaren daarvoor.”

Overigens wil PvdA'er Van Zuijlen geen sombere woorden spreken over Nuis. “Ik word gaandeweg steeds enthousiaster over hem. In het begin dacht ik: wat is het allemaal vaag en wat gaat het allemaal langzaam. Maar nu komt hij toch wel met dingen. Hij heeft goeie plannen voor liberalisering van de Mediawet. Ik vond zijn reactie bij al die heisa over het Sportkanaal getuigen van wijsheid. Ik zie dat allemaal gebeuren en ik denk: fijn, Nuis komt los.”

Aad Nuis is een schrijver: dichter, recensent, de man van polemieken (Weinreb, Frans Kellendonks 'Mystiek Lichaam'). Dagelijks staat hij 's morgen tussen vijf en zes uur op om te schrijven, zo meldde hij in september vorig jaar in een Hollands Dagboek in deze krant. “Mijn leven blijft nadenken met een pen in de hand.”

Wat heeft een kunstenaar te zoeken in de politiek? Het zou onzinnig zijn de vraag te stellen als kunstenaars zelf niet bij voortduring wijzen op de spanning tussen een en ander. Want kunst, dat is licht en vrijheid. En politiek, dat is duisternis en geketend zijn aan concessies en compromissen. “Politici worden gewantrouwd [door schrijvers], een enkele keer bewonderd, maar ze blijven van een ander soort”, schreef Nuis zelf al in 1980 in het literaire tijdschrift Bzzlletin.

“Ik blijf me over Nuis verbazen”, zegt De Ruiter van het Haagse conservatorium. “Ik ken hem al heel lang, we hebben samen in de Commissie Kunst van het Prins Bernhard Fonds gezeten. Hij is een vrijdenker, een vrijbuiter. Maar tegelijk is hij zeer wendbaar. Hij wordt een heel ander mens zodra hij aan dat politieke spel gaat meedoen. Ik heb dat wel gemerkt in Kamerdebatten. In eerste termijn staat daar een man met prachtige ideeën, die hij gloedvol weet te verwoorden. In tweede termijn, als hij vragen van Kamerleden moet beantwoorden, begint hij te praten met die briefjes van zijn ambtenaren in z'n handen. Dan staat hij met ogenschijnlijk gemak allerlei kleverige spinnewebben voor te dragen. Ik denk dan: dat klopt niet. Maar hij heeft daar kennelijk minder moeite mee.”

De permanante spagaat waarin Nuis zich bevindt, laat zich illustreren aan de hand van de vele toespraken die hij sinds zijn aantreden als staatssecretaris heeft gehouden. In zijn cultuur-beschouwende bijdragen spreekt Nuis de hem kenmerkende beeldende taal. “De burger [is] een volgzame consument geworden op een markt die niet door vrijheid wordt beheerst, maar door een amalgaam van reclame, journalistiek, public relations, marketing, kunst, politiek, media en ongecompliceerd winstbejag, die allemaal dingen naar zijn gunst, zijn geld, zijn stem, zijn sympathie”, sprak hij begin mei vorig jaar in Amsterdam bij de opening van een tentoonstelling over kunstenaarsverzet.

Of, feller, op een bijeenkomst van het uitgeversconcern Wolters Kluwer, op 5 april vorig jaar: “[Het is] de vraag of we in staat zijn echt enige sturing te geven aan de technologische revolutie die over de samenleving dendert. We hoeven Marx niet uit de kast te halen om te zien hoe bepalend de combine van economie en technologie de ontwikkelingen stuurt. (...) Er waart niet opnieuw een spook door de wereld, maar de communicatie-revolutie is evenmin een prins op een wit paard die onze hand komt vragen voor een onbezorgd en gelukkig leven.”

Gaat het echter over kwesties van beleid, dan klinkt Nuis opeens geheel anders. Dan gaat hij op pad met ambtenarenproza: “In gesprekken tussen regering, Tweede Kamer en instellingen rondom het vorige HOOP kwam steeds nadrukkelijker naar voren dat we aandacht moeten schenken aan het vraagstuk van differentiatie. Ook in die probleemanalyse kwam de financiële context aan de orde in die zin dat we toen al als opdracht formuleerden dat we een blijvend evenwicht zouden moeten vinden tussen massaliteit, kwaliteit en financierbaarheid.”

De Amsterdamse collegevoorzitter Gevers vergoelijkt: “Ach, zo gaat dat bij alle bewindslieden: ze hebben twee gezichten. Wanneer je ze treft als mens kun je doorgaans heel redelijk met ze praten. Als ze politicus zijn, moet je het telkens weer afwachten. Nuis vormt op die regel geen uitzondering.”