Hoornist Jacob Slagter (van Kollum naar Concertgebouw) dirigeert het Nederlands Fanfare Orkest; In de dorpsfanfare ontluikt nieuw muzikaal talent

Nederlands Fanfare Orkest o.l.v. Jacob Slagter: 20/4, Oosterpoort Groningen met o.a. Verdi: ouverture La forza del destino; Ravel: Bolero; Alford: Army of the Nile. Presentatie: Joop van Zijl.

De fanfare hoort bij Holland zoals de tulp, de klomp, de windmolen en de haringkar op de hoek. Bert Haanstra portretteerde het verschijnsel op humoristische wijze in Fanfare (1958), één van zijn onovertroffen cinematografische impressies van de Nederlandse volksaard. En er was een tijd dat ieder zichzelf respecterend dorp in ons land minstens één eigen fanfare cultiveerde. Dáár leerde men van jongs af en getrouw een generatieslange traditie van musiceren op één van de koperen blaasinstrumenten of het bijbehorende slagwerk waaruit het fanfareorkest is samengesteld.

Deze diepgewortelde cultuur van amateuristische kunstbeoefening en de vriendelijk competitieve sfeer van concoursen op de wekelijkse rustdag fungeert al decennia lang als een ongekend rijke kweekvijver voor blaastalent, dat veelvuldig zijn weg vindt naar 's lands professionele symfonieorkesten en ensembles.

Zo verging het ook Jacob Slagter (38). Hij leerde bugel spelen bij de Friese fanfare Wilhelmina Kollum. In 1981 kwam hij bij het Concertgebouworkest, waar hij drie jaar later werd benoemd tot solo-hoornist. In 1988 ontving hij bovendien de Nederlandse Muziekprijs.

Zaterdag dirigeert Jacob Slagter in de Groninger Oosterpoort de enige professionele fanfare van ons land: het Nederlands Fanfare Orkest. Dit gezelschap, bestaande uit ongeveer 35 topblazers en -slagwerkers, gerecruteerd uit verschillende beroepsorkesten, geeft sinds 1995 jaarlijks een uitvoering met een telkens wisselende dirigent. Vorig jaar was dat mede-initiatiefnemer Geert Kuiper, dit jaar Jacob Slagter. “Ik dirigeer van jongsafaan en ik heb altijd banden met het amateurleven gehouden, want daar kom ik vandaan en daar laad ik mijn batterij op.

“Als knaap ging je als vanzelf aan je vaders hand mee naar de muziekvereniging. Die van ons speelde zondags in de kerk, waar de plaatselijke fanfare het orgel verving. Als je een beetje getalenteerd was, deed je mee aan solistenconcoursen. Toen ik er omstreeks mijn tiende een paar had gewonnen, zei mijn leraar: 'Jacob, je moet je laten testen.' ”

Slagter werd meegetroond naar de Muziekpedagogische Academie in Leeuwarden, waar men nog eens bevestigd kreeg dat in de blonde knaap een verbluffend talent school. Hij zou een goed trompettist kunnen worden, meende men op de Academie, maar omdat de muziekwereld verlegen zat om hoornisten werd Jacob Slagter hoornist.

“Van mijn twaalfde tot mijn zestiende had ik 's woensdags van twee tot vijf privéles bij Oldrich Milek, een gevluchte Tsjech. Als mijn vriendjes na school gingen spelen, toog ik met de toeter naar Leeuwarden. Het ging toen allemaal heel snel. Op mijn veertiende speelde ik al solo bij het Frysk Orkest.

“De fanfare waar ik begon bestond uit 45 man. Maar er werd in de jaren zestig steeds meer georganiseerd voor de jeugd. Er kwamen clubs, de popmuziek kwam op, waardoor de belangstelling voor de fanfare sterk afnam. Ik kan me nog herinneren dat ik op repetities kwam, met mijn bugeltje onder de arm, maar meteen rechtsomkeerd kon maken omdat er te weinig mensen kwamen opdagen. De afname van de belangstelling voor de fanfare heeft er toe bijgedragen dat de brassbands in Friesland opkwamen. Deze hebben een veel kleinere bezetting, maar daarmee kun je wel alles spelen.

“Al mijn vrienden speelden op een gegeven moment in een brassband, maar daarin zitten geen hoorns. Dus ik werd een beetje een buitenbeentje. Ik hoorde er niet meer bij, terwijl ik dat toch zo graag wilde. Mede daarom ben ik al vroeg gaan dirigeren. Ik zocht mijn vroegere bugel-leraar Tjeerd Brouwer weer op, die mij nog diezelfde middag meenam in de auto. Hij reed naar Lutjegast in Groningen, vlak over de grens, waar op het terrein van een groot aannemersbedrijf een fanfare repeteerde.

'Jullie zoeken een dirigent', zei mijn leraar, 'hier heb ik een dirigent voor jullie' - terwijl ik nog nooit had gedirigeerd. 'Jacob, jongen, ga d'r maar vóór staan en volgende week kom je met het hele corps op les.' Zo ging dat toen. We zaten daar met tien leerlingen op de muziekschool en de leraar zorgde ervoor dat iedereen een corps had.

“Toen ik naar Amsterdam ging, bleef mijn contact met de amateurwereld noodgedwongen beperkt tot af en toe een bezoek aan Friesland. Maar toen we vervolgens van Amsterdam naar Breukelen verhuisden, kwam mijn overbuurman meteen naar me toe en zei: 'Jacob, we hebben hier een brassband! Wil je ons komen dirigeren?' 'Dat doe ik', antwoordde ik, 'hartstikke leuk, maar weet wel dat ik geen tijd heb.' Het gekke is dat die amateurcultuur in de grote stad niet leeft, maar kom je in een dorp, dan pak je die draad meteen weer op. Met hangen en wurgen doe ik nog altijd enkele projecten met de brassband van Breukelen.

“Op die manier heb ik ook in Friesland een paar top-brassbands gedirigeerd. Ik vind het daarom fantastisch dat ik nu door trompettist Hans Alting - die samen met Geert Kuiper de initiatiefnemer is van het orkest - gevraagd ben deze keer het Nederlands Fanfare Orkest te dirigeren. Uit die wereld kom ik voort en dan krijg je plotseling de mogelijkheid in de schoot geworpen dat samen te delen met mensen die dezelfde roots hebben.

“Het is altijd spannend, hoe ze op je reageren als je opeens vóór ze staat. Ik ben weliswaar de dirigent, maar zo voel ik me niet. Ik speel dagelijks met deze jongens, en ik kom daarom ook gewoon samen met hen op. Ik wil samen met die jongens musiceren, niks meer en niks minder. Rondom de dirigent is de laatste eeuw een enorme mythe gecreëerd, maar ik wil met klem stellen dat het uiteindelijk de muzikanten zijn die het moeten doen. Als die zich stilhouden, gebeurt er domweg niets. Ik wil gewoon muzikant zijn en blijven. Met z'n àllen iets neerzetten, dàt doet me wat.

“Het Nederlands Fanfare Orkest had nooit bestaan zonder de amateuristische kunstbeoefening. Het orkest bestaat uit professionele musici die ongelooflijk enthousiast zijn, en dat is precies hetzelfde enthousiasme als vroeger, toen ze in het corpsje begonnen. We leven met z'n allen met ontzettend veel plezier naar het concert toe. Dat moet goed zijn; daarna zien we wel weer.

“Want hoe enthousiast iedereen ook is, er moet geld komen om de mensen te betalen. Je moet een repetitielokaal huren, je moet zorgen dat er een lekkere maaltijd is, dat er een biertje getapt kan worden en dat er beetje geluld kan worden. Dat zijn hier randvoorwaarden, en dat zijn precies de dingen die vroeger ook het verenigingsleven omlijstten.

“Die gezelligheid en intimiteit mis je bij een professioneel symfonieorkest. Maar de ongedwongen sfeer wordt bij het Nederlands Fanfare Orkest gecombineerd met het musiceren op absoluut topniveau.”