Het slotoffensief van Van Traa & co

Het rapport van de enquête-commissie Opsporingsmethoden is niet het evangelie. Tot twee keer toe herhaalde voorzitter Maarten van Traa afgelopen week die uitspraak: eerst in de Groene Amsterdammer en daarna in de Volkskrant. Is het PvdA-Tweede Kamerlid bezig met terugtrekkende bewegingen in het zicht van het debat deze week met de Kamer over zijn rapportage? In De Groene noemt hij zijn produkt “niet de opperste waarheid”. Dat betekent dat discussie over de bevindingen en aanbevelingen van de enquête-commissie mogelijk is.

Van Traa begon twee weken geleden voor een gehoor van de Leidse studenten van commissie-medewerkers professor Uri Rosenthal en Erwin Muller aan een kleine veldtocht tegen al diegenen die zijn rapport hadden bekritiseerd. En dat waren er velen. Wellicht uitgedaagd door de onwrikbare stellingnames van de parlementaire commissie betoogden korpsbeheerders, hoofdcommissarissen en professoren dat het allemaal wat minder gedetailleerd moest. Van Traa gelooft teveel in de toverkracht van een wettelijke regel, zei de schrijver van de huidige politiewet, de Leidse hoogleraar Fasseur.

Van Traa vond daarom “dat het tijd was om met ons eigen verhaal te komen”. “De evidente crisis in het opsporingsapparaat dreigde domweg te worden ontkend, en dat mag toch niet gebeuren,” zei hij in De Groene. Vorige week publiceerde ook prof. mr. Y. Buruma, hoogleraar in het strafprocesrecht in Nijmegen, een vlammend betoog in het Nederlands Juristenblad. Over het strijdpunt van het doorlaten van drugs schrijft Buruma onder meer: “Diegenen die geneigd zijn doorlating te accepteren nemen een vergroting van de corrumpeerbaarheid van de politie op de koop toe.”

Buruma was eindredacteur van twee delen van het rapport van de enquêtecommissie. Van Traa zou vandaag zijn veldtocht voortzetten tijdens een symposium aan de Tilburgse universiteit. (FV)