Debat toekomst podiumkunsten; 'Gebouwen gaan voor cultuur in A-damse raad'

Over de toekomst van de podiumkunsten in Amsterdam werd gisteren door betrokkenen in de Balie gediscussieerd. Aanleiding is de bouw van een nieuw theater-complex aan de Oostelijke Handelskade bij het IJ.

AMSTERDAM, 15 APRIL. Hoeveel theater kan de stad hebben? En hoeveel theaters?

Over de toekomst van de podiumkunsten in Amsterdam wordt dezer dagen veel gesproken. Het college van B en W stelt in de zomer zijn Kunstenplan op, waarin de culturele gelden voor de komende vier jaar worden verdeeld. Woensdag zullen vertegenwoordigers van de Amsterdamse kunstinstellingen achter gesloten deuren gezamenlijk over hun positie vergaderen. Gisteren deden enkelen van hen alvast mee aan een openbaar debat in De Balie. Belangrijkste onderwerp van gesprek was gisteren de ontwikkeling van een nieuw cultureel complex aan de Oostelijke Handelskade. Als het aan wethouder Bakker (Cultuur) ligt, komt daar de nieuwe behuizing voor Toneelgroep Amsterdam, voor jazz-centrum het Bimhuis en voor een centrum voor moderne muziek, de zogeheten IJsbreker-coalitie.

Hoewel de deelnemers aan het debat het plan aan de Oostelijke Handelskade toejuichten, vroegen zij zich af wat er zal gebeuren met de kunstinstellingen die 'achterblijven'. “Het Leidseplein begint braak te liggen”, zei Cox Habbema, directeur van de Stadsschouwburg. Haar theater heeft sinds het vertrek van Toneelgroep Amsterdam (sinds drie jaar gevestigd in de voormalige Westergasfabriek) geen vaste bespeler meer. Oktober vorig jaar bepleitte zij bij de raadscommissie van cultuur een extra bedrag van drie miljoen gulden per jaar zodat haar instelling “het eerste podium des lands” zou worden. De meerderheid van de raad zag er geen heil in.

Over de theaters en bioscopen op en rond het Leidseplein wordt al decennia gediscussieerd in de Amsterdamse gemeenteraad. Met de bouw van een nieuw cultureel centrum aan de IJ-oevers zou de gemeente de aandacht even willen afleiden van die discussie. De drie betrokken instellingen zijn gelukkig, zij hebben na jaren van gezoek eindelijk een plaats gevonden. Zakelijk leider Gerrit Korthals Altes van Toneelgroep Amsterdam was er gisteren nog beduusd van: “In juni vorig jaar kregen we nog van ambtenaren te horen dat we vooral door moesten gaan met de ontwikkeling van onze plannen bij het Leidseplein. In september kwamen we in het stadhuis en toen had daar iemand een brainwave gekregen. Als ze zouden bouwen aan de Oostelijke Handelskade, konden ze al hun problemen tegelijk oplossen.”

“Amsterdam doet aan gebouwenpolitiek, niet aan cultuurpolitiek”, constateerde directeur Arthur Sonnen van het Theaterfestival. Met haar culturele bouwplannen heeft de gemeente namelijk nog andere oogmerken dan louter de kunsten. De plaatsing van het musicaltheater van Joop van den Ende, de concerthal van Mojo en de megabioscoop in Amsterdam Zuidoost, is bedoeld als een laatste levensopwekkende injectie voor die verdoemde wijk. Van den Ende en Mojo hebben lang met het grondbedrijf onderhandeld om een andere plaats in de stad te krijgen. De gemeente hield onverbiddelijk vast aan Zuidoost.

Hetzelfde geldt voor de nu nog woeste en ledige IJ-oevers. “De bedrijven en kantoren wilden zich er niet vestigen”, aldus een van de sprekers. “Dus nu moet de kunst er maar heen.” Ex-theaterdirecteur Ritzaert ten Cate vergeleek de kunstenaars met mijnenvegers. “Ze gaan vaak vooruit in onbekend terrein en maken dat met hun aanwezigheid bouwrijp voor de commercie.”

Half mei krijgt wethouder Bakker de resultaten van een 'haalbaarheidsonderzoek' voor het cultureel centrum aan de Oostelijke Handelskade. Pas dan kan worden begonnen met de besluitvorming over de bouw ervan. Cultuurpolitiek is in Amsterdam een kwestie van “gezeur, gekleef en politieke onmacht”, aldus architect Maarten Kloos. Deze zomer zal in het kader van het festival een kleine expositie in de Stadsschouwburg te zien zijn van de theaters die Amsterdam sinds 1880 heeft willen bouwen maar die nooit zijn gerealiseerd. Dat zijn er 160.

    • Bas Blokker