Wenen, wereldhoofdstad van het vergeten, herdenkt Theodor Herzl; Vadertje Israel

Met zijn brochure 'Der Judenstaat' legde Theodor Herzl een eeuw geleden het fundament van de staat Israel. In gedachten had hij het nieuwe thuisland al van de infrastructuur tot en met de staatsopera ingericht. Toch was Herzl zelf niet gelovig, als jonge man was hij zelfs aanhanger van het Duits-nationalisme. Kaddisj zeggen aan het Weense graf van een agnost.

Het Döblinger Kerkhof ligt hoger dan de rest van Wenen en biedt een mooi uitzicht over het wijndorpje Grinzing en het Wienerwald. Op sommige graven liggen nog bevroren klonten modderige sneeuw. Prof. dr. Jacob Allerhand, Weens hoogleraar jodendom, stapt zoekend rond, ons gezelschap achter zich aan. Waar is nu Herzls graf? Allerhand komt hier eigenlijk nooit. Wel leidt hij jaarlijks een pelgrimstocht naar het sanatorium in Edlach in de bergen. Daar stierf Theodor Herzl, op 2 juli 1904, 44 jaar oud, aan een der kwalen, waaraan hij sinds zijn studententijd had geleden, maar vooral aan totale uitputting.

Tussen pompeuze tombes vinden we tenslotte de eenvoudige, zwart marmeren zerk van Theodor Herzl en zijn ouders. Volgens Herzls wens is zijn gebeente herbegraven in Jeruzalem. Met de eerste vlucht van El Al, in 1949, is het overgevlogen, met dat van zijn ouders en zusje Pauline. Herzl vergeleek zichzelf met Mozes, de bijbelse figuur die niet lang genoeg leefde om zijn volk over de grens van het Beloofde Land te brengen, maar daar wel begraven wilde worden.

Herzls huwelijk was een tragische mislukking. Zijn vrouw Julie en hun kinderen liggen hier niet begraven. Nazaten zijn er niet meer. Zijn enige zoon Hans werd protestant, toen katholiek en pleegde kort na 1930 zelfmoord, evenals Herzls enige kleinzoon, kind van zijn dochter Trude. Zij ging in een nazi-transport geesteszieken naar Theresiënstadt en stierf daar in 1942. De andere dochter, Pauline, stierf in 1930 aan een overdosis heroïne.

Omdat dit geen joods kerkhof is, vertelt Allerhand, is de zerk aan de nazi's ontsnapt. “Mogen we kaddisj zeggen”? vraagt een omstander. Allerhand vindt het goed. Nagenoeg ons hele kleine gezelschap blijkt het doodsgebed te kennen en begint te prevelen voor de arme Herzl - die overigens overtuigd agnost was.

Het is nu honderd jaar geleden dat Herzl zijn epochemakende brochure De Judenstaat publiceerde. Daarmee vestigde hij zijn naam als grondlegger van het moderne zionisme, dat tot de stichting van de staat Israel leidde. Het belang ervan is wel vergeleken met dat van Marx' en Engels' Communistisch manifest. Nadat de schrijver bij diverse uitgeverijen had bot gevangen, verscheen de brochure op 14 februari 1896 bij de Weense boekhandelaar Breitenstein. Daarin voorspelde hij dat er binnen vijftig jaar een joodse staat zou zijn en hij kreeg gelijk. Had hij nog langer geleefd dan had hij op 57-jarige leeftijd de Balfour Declaration meegemaakt, de brief van 2 november 1917 waarin de Engelse gelijknamige minister van buitenlandse zaken de joden 'een nationaal tehuis' in Palestina beloofde. Tegenwoordig staat bij de oprit naar de Israelische stad Herzlia in grote letters het motto te lezen van Herzls utopische roman Altneuland uit 1902: Wenn ihr wollt ist es kein Märchen.

Concert met Witze

Allerhand is voorzitter van de Weense loge Zwi Perez Chajes, genoemd naar de vooroorlogse zionistische Weense opperrabbijn. Deze afdeling van de joods-charitatieve internationale vereniging B'nai Brith, anno 1843, organiseerde onlangs in samenwerking met de gemeente Wenen een Theodor Herzl-symposium, met zeshonderd deelnemers uit Europa, de VS en Israel, in de feestzaal van het Weense Raadhuis. Zoals bij de plechtigheid in Tel Aviv van 14 mei 1948, waar Ben Goerion de staat Israel uitriep, achter hem een portret van Herzl had gehangen, zo prijkte nu achter de sprekerstafel in de zwaar bewaakte neo-Gothische feestzaal Herzls baardige profiel.

Rond het symposium zijn er nostalgische nevenactiviteiten georganiseerd. Op een banket, dat de Weense burgemeester Michael Häupl gaf, speelde Giora Feidmann, een begenadigd klarinettist en entertainer uit Israel, zijn programma Die Seele lebt met Kletzmer-muziek, zigeunerachtige muziek uit het oude Europa. In de kleine oude synagoge, de enige van de 45 Weense synagogen die de nazitijd doorstonden, gaven wereldsterren onder de Kantoren (voorzangers), zoals de bariton Arie Braun, een concert met Witze tussendoor. Bij een optreden in een stampvol zaaltje van het cabaret Des is a Hetz (dolle pret) und kost net viel, hoorde ik tot mijn verbazing hoeveel Wienerische schlagers en operettes uit het ijzeren repertoire, van joodse makelij bleken te zijn. We bezochten het gerestaureerde Joods Historisch Museum, dat een overzicht geeft van duizend jaar joden in Wenen - een onrustig verhaal, want zij kregen de schuld van ongeveer alle rampen die stad troffen.

Wenen was vóór de Anschlu van Oostenrijk met Hitler-Duitsland in maart 1938 een stad met een duidelijk joods gezicht. In de jaren dertig was een op de zes Weners een jood. Bij de stadsuitbreiding, tweede helft negentiende eeuw, gaven gegoede joodse families gul voor bouw en onderhoud van het Musiksvereinsgebäude, de Nationalbibliothek en andere instellingen die nog altijd de trots van Wenen uitmaken. Tussen de oorlogen bestonden er tientallen joodse clubs en een keur van joodse kranten, maar het gros van de Weense joden voelde zich daar niet bij betrokken. Ze voelden zich geen joden, maar Weners, trots op hun stad. Zo was het ook in 1898 toen de achttienjarige Theodor Herzl uit Boedapest naar Wenen kwam, om daar rechten te studeren.

Bismarck

De Vader van het zionisme werd op 2 mei 1860 geboren in Boedapest . Herzls ouders waren vrijdenkers en kinderen van hun tijd. Zijn vader was koopman, zoon van een orthodoxe jood. Zijn moeder, dochter van een rijke, geassimileerde textielfabrikant, koesterde voor haar zoon een tomeloze ambitie. Begin negentiende eeuw, na de Franse revolutie, was de emancipatie van de Europese joden begonnen. Voordien waren ze in veel steden zo goed als opgesloten geweest in overvolle, onhygiënische getto's. Als scholier was Theodor ronduit Duits nationalist, en hij adoreerde Bismarck.

Op haar negentiende stierf zijn één jaar oudere zus Pauline aan tyfus. Na deze slag verhuisde het gezin naar Wenen, waar de beste universiteit was van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. Als student stortte Herzl zich in het Weense Kaffeehaus-leven. Zijn stamkroeg was café Griensteidl aan de Michaelerplatz, met uitzicht op de mythische stenen adelaars en naakten en halfnaakten die de poort van de Alte Hofburg versieren. Griensteidl was een van de stampvolle, rokerige intellectuelen-cafés waar de kranten werden gespeld en premières opgewonden werden besproken.

Op het symposium schitterde Herzl als literator door afwezigheid. Dat had hij zeer betreurd, want juist in de literatuur lag aanvankelijk zijn grote ambitie. Hij publiceerde zestien toneelstukken, merendeels blijspelen, die bijna allemaal zijn opgevoerd, sommige zelfs in het walhalla: het Wiener Burgtheater. Hij was bevriend met schrijvers als Schnitzler, Hofmannsthal en Beer-Hofman, die aanmerkelijk succesvoller waren dan hij. Herzl had genoeg literair inzicht om op den duur te beseffen dat hij minder talentvol was dan zijn vrienden. Desondanks liet zijn droom van een grote doorbraak in de literatuur hem nooit echt los.

In de journalistiek bracht hij het wel degelijk tot grote hoogte, als feuilletonist van de Neue freie Presse, een kleine, maar machtige krant van joden, met een vooral joodse lezerskring, maar inhoudelijk totaal niet joods. Hoofdredacteur Moritz Benedikt was christelijk gedoopt, in sommige joodse kringen een mode die ook Heine en Mahler verleidde. Herzls feuilletons werden verslonden. Er verschenen vijf bundels van. De stijl was aanvankelijk die van verveelde ironie, zoals de mode voorschreef.

Metamorfose

Herzl voelde lange tijd niets voor zijn joodse afkomst. Als student was hij zelfs lid van een dubieuze Duits-nationalistische Bruderschaft, Albia, waar hij leerde schermen en duelleerde en in Bierkeller probeerde mee te slempen. Toch bedankte hij tenslotte wegens de jodenhaat bij zijn kameraden. Het was een tijd van hernieuwd nationalisme en die agressie manifesteerde zich ook op straat. Tot zijn schrik werd hij zelf op straat voor Saujude uitgemaakt.

In oktober 1891 benoemde de krant hem tot correspondent in Parijs. Allengs werden zijn feuilletons die hij naar Wenen stuurde, ernstiger van toon. Onder druk van het virulente antisemitisme in de Parijse straten voltrok zich in de modieuze Wener langzamerhand een metamorfose.

De grootste schok was de zaak tegen de joodse artilleriekapitein Alfred Dreyfus, die in 1894 valselijk van hoogverraad werd beticht. 'Dood aan de joden!' scandeerde de menigte op straat. Het vreselijkste aan de zaak-Dreyfus, zei dr. Allerhand op het symposium, was dat de Franse joden, die heel goed beseften dat deze militair niets had misdaan, hem eenvoudig lieten barsten, uit vrees zich als jood te compromitteren. Om dezelfde reden zou Herzl weinig bijval voor zijn plannen krijgen van de welgestelde joodse gemeenschap van Wenen.

Herzl bedacht wilde plannen om de Europese joden te redden. Hij overwoog een massale doop te organiseren bij de Paus in Rome. Tenslotte kwam hij op het idee van massa-emigratie naar Palestina. Op eerste pinksterdag 1895 kwam hij in Parijs op audientie bij de joodse miljonair en filantroop baron Hirsch om hem voor zijn plan te winnen. Maar hij was te zenuwachtig en kon niet uit zijn woorden komen. Die middag, terug in zijn hotelkamer begon hij een 'Rede aan de Rothschilds' te schrijven. Die wilde hij voorlezen op een bijeenkomst van deze machtige joodse familie die hij in Wenen hoopte te organiseren. Maar niemand van de familie verwaardigde zich hem te ontvangen. Terug in Wenen herschreef hij de rede tot zijn epochemakende brochure onder de titel Der Judenstaat.

Chaim Weizmann, in 1948 Israels eerste president, was destijds student in Berlijn en beschrijft in zijn memoires Trial and Error het effect van Der Judenstaat als 'een bliksemslag'. Er bestonden wel al zionistische publicaties, zoals Mozes Hess' Rom und Jeruzalem. Maar nu had een elegante, gerenommeerde westerse journalist, van wie menigeen niet eens wist dat hij een jood was, deze droom zo eenvoudig opgeschreven, dat het leek of het plan de volgende week uitvoerbaar zou zijn.

Joodse staatsopera

In zijn brochure had Herzl de nieuwe joodse staat in Palestina compleet ingericht, van de infrastructuur tot en met de staatsopera en de Wiener Salzstängel die mee moesten naar het nieuwe land. Duits zou er de voertaal zijn. Er zou ruimte zijn voor orthodoxie, maar wel in een seculiere staat. Er zou een zevenurige werkdag zijn. Dat laatste was bepaald revolutionair en was ook bedoeld om de socialisten te overtroeven, waartoe Herzl beslist niet behoorde.

Had hij het bij de brochure gelaten, dan was het effect snel verloren gegaan. Maar de verandering in Herzl was compleet. Hij leefde in een idealistische koorts die hem tot zijn sterfbed voortdreef. In 1897 organiseerde hij in Bazel het Eerste Zionistische Congres, waarvan hij er nog vijf zou beleven. Het waren euforische, emotionele bijeenkomsten. Herzl werd er ovationeel toegejuicht - 'Leve de koning!' -, hetgeen hij waardig onderging. “In Bazel heb ik de joodse staat gesticht”, schreef Herzl in zijn dagboek.

Hij maakte slopende reizen om de Turkse sultan (Palestina was toen Turks), de Duitse Kaiser, het Vaticaan, diplomaten en joodse bankiers voor zijn plan te winnen. Het was een vernederende, demoraliserende tocht. De felste tegenstander van het jonge zionisme vormde de joodse orthodoxie. 'Volgend jaar in Jeruzalem' was weliswaar een vast gebed, maar het zou de Messias zijn, die deze overtocht zou regelen en niet, zoals een rabbijn smaalde, “ene dr. Herzl van de Neue Freie Presse!”

“De Messias is iemand die nog niet gekomen is”, citeerde de 87-jarige dr. Josef Burg op het symposium een joods grapje. Burg groeide op in Duitsland, is doktor in de filosofie, rabbijn, en bezit vele eredoktoraten. Vanaf 1951 was hij in Israel minister op verschillende posten, waaronder die van van religieuze zaken tussen 1984 tot 1986. Een scheiding van kerk en staat in Israel kan hij zich niet voorstellen. De vromen klampten zich extra vast aan de thora, zegt hij, omdat het nog zo kort geleden was, dat Napoleon de joden gelijk berechtigd had - maar er bij had gezegd dat de ondergang van het jodendom nabij was.

De vrijdenkende, rijke westerse joden als Hirsch en de Rotschilds gaven evenmin thuis. Net als in de tijd van de zaak-Dreyfus waren zij veel te blij dat zij zich, na nog geen eeuw emancipatie, de gelijken voelden van hun medeburgers. Herzls grote aanhang bestond dan ook uit arme sloebers, vooral in Oosteuropa, die trouw hun sjekel afdroegen aan de nieuwe organisatie. Maar zij waren nog maar een druppel in de oceaan.

Soms was het Zionistische Wereldcongres het toneel van bittere conflicten. Nog geen jaar voor zijn dood, op het congres van 1903, stelde Herzl voor, voor de vervolgde Russische joden in godsnaam zo lang maar Oeganda te accepteren (het huidige Tanzania), een Brits aanbod. Een groot deel van zijn aanhang, voor wie Zion heilig was, keerde zich van hem af.

Ondanks Herzls metamorfose tot zionist bleef zijn verhouding tot de geïnstitutionaliseerde geloofspraktijk moeizaam. De Weense hoogleraar Allerhand vertelde op het symposium dat Herzl eens onwennig in een synagoge kwam en met zijn rug naar de thora ging staan, ongeveer de ergste blunder die er mogelijk is. “U mag wel met uw rug naar de thora staan”, sprak een der gelovigen. “U bent heiliger dan de thora!”

Handschoen

Als kind van tien ontsnapte Allerhand als enige van zijn familie in 1940 in de Oekraïne uit een brandend getto. Hij ontkwam naar Oezbekistan en reisde na de oorlog naar een oom in Berlijn, waar hij zijn studie voortzette. Andere sprekers, de meesten van dezelfde leeftijd, hadden een soortgelijke achtergrond. Als enige van hun familie, hun school en omgeving ontkwamen ze aan de grote moord, en gingen daarna als een bezetene aan het werk om te studeren en boeken te schrijven.

“Met het verlies van de joden heeft Wenen praktisch zijn identiteit verloren”, treurde oud-burgemeester Helmut Zilk in zijn openingswoord, gebarend met zijn bril in één slanke hand. De andere is in een handschoen verstopt, vorig jaar zwaar verminkt, toen hij een bombrief van een nog altijd onbekende afzender opende. Zilk memoreerde de 'enorme bijdragen' die joods Wenen had geleverd in de medicijnen, de cultuur, de literatuur.

“Wat was het toch in de Weense lucht, waardoor de joden en Wenen zo goed bij elkaar pasten?” vroeg de Amerikaanse schrijfster en germaniste Ruth Klüger (65) zich af. “Was het de ironie, de dialektiek, de muzikaliteit?” Over haar jeugd in Wenen en later in concentratiekampen schreef ze een succesvolle roman, Ende Jugend (1992). Tijdens haar schaarse, korte bezoeken aan Wenen was het haar opgevallen dat er in deze stad vol gedenktekens nog steeds geen monument staat voor de grote joden die de stad heeft voortgebracht. “Eens was Wenen de wereldhoofdstad van het antisemitisme”, stelde zij vast. “Nu is het de wereldhoofdstad van het vergeten.”

Op het Albertina-plein, bij het Joods Historisch Museum, staat het goed bedoelde, maar ronduit smakeloze beeld, gemaakt door de 'antifascist' Alfred Hrdlicka. Het stelt een knielende jood voor, die met een borstel het plaveisel poetst, zoals de joden destijds zijn vernederd. Omdat er altijd mensen op z'n rug broodjes met varkensworst zaten te eten, heeft de gemeente hem uit piëteit met prikkeldraad omhangen. Naar verluidt komt er nu toch een ander monument, op de Judenplatz.

Opzienbarend was de bijdrage aan het symposium van de aartsbisschop van Wenen, Christoph Schönborn, geboren in 1945. Zijn onderwerp, 'De kerk en Eretz Jisrael', voerde naar een “lange, smartelijke, schuldbeladen geschiedenis, eeuwen vol bloed en wonden”. Vanaf het Heilige Roomse Rijk hebben volkeren geprobeerd “het uitverkoren zijn van het kleine volk Israel” voor zichzelf op te eisen. Sinds Paus Johannes Paulus in 1980 verklaarde, dat de terugkeer naar Eretz Jisrael voor het joodse volk 'een heilig gebod' is, zegt het Vaticaan 'volmondig ja' tegen Israel, “maar we moeten ook het recht van de Palestijnen erkennen”.

Het verhaal van de aartsbisschop was een vervolg op het nog opzienbarender bezoek van de Paus in 1993 aan Israel. Het Vaticaan had lang geweigerd de staat Israel te erkennen. Kort voor zijn dood werd Herzl, ziek en afgetobd, bij het Vaticaan afgescheept, zodat hij met een klein half uurtje weer op straat stond. Met een volk dat Christus niet als Messias erkent, wilden de pausen niets te maken hebben. De houding van het Vaticaan in de nazitijd is maar al te bekend.

Groot succes oogstte de Israelische linkse publicist en vredesactivist Uri Avnery die over 'Herzl en de rabbijnen' sprak. De fulminerende rabbi's maakten de zionisten uit voor 'afvalligen' en 'verraders' en 'handlangers van Satan en de antisemieten'. Naïef had Herzl de orthodoxen afgedaan als 'schilderachtige curiosa' uit de Middeleeuwen. De grap van de geschiedenis is, dat de orthodoxie nu in Israel het felst chauvinistisch is, en de spil vormt van de rechtse politiek. Grote kans dat de vromen eind mei de verkiezingen winnen en daarmee het vredesproces kunnen stopzetten. “Herzl zou razend van woede zijn”, toornde Avnery, “als hij wist dat de rabbijnen in de Judenstaat niet in synagoges zijn opgesloten, zoals hij het zich voorstelde, maar regeringen vormen en die zelfs laten vallen.”

Avnery's grote tegenstander, dr. Josef Burg, wees erop dat er ook zionistische rabbijnen waren geweest. Burg en andere gelovige sprekers waarschuwden voor het gevaar dat de buitenwereld de joodse fundamentalisten, “dat marginale, hysterische clubje Amerikanen in Hebron”, op één hoop gooit met de orthodoxen. “Dat lachende gezicht van de moordenaar van Rabin, telkens weer op de televisie, is levensgevaarlijk voor de joden in Europa”, vreest voorzitter Ignaz Bubis van de Duits-joodse Zentralrat.

Hebben de joden nog toekomst in Europa, vroeg het forum zich af. “We zijn een treurig overgebleven hoopje. Wat staat dat hoopje te wachten?” zei Ignaz Bubis. Menigeen maakte zich zorgen over de ondergang van het diaspora-jodendom door gemengde huwelijken en assimilatie, zoals de Amerikaanse historicus Bernard Wasserstein voorspelde in zijn onlangs verschenen boek Het einde van een diaspora: joden in Europa sinds 1945. Als enige van het forum had Ruth Klüger geen bezwaar tegen gemengde huwelijken: in Amerika wordt voortgezet wat Hitler heeft doorbroken. “Het enige land op het ogenblik”, voegde zij hieraan toe, “waar een jood wordt vermoord, alleen omdat hij een jood is, is Israel”.

    • Lisette Lewin