Tsjmil

Een keer per jaar vallen geluk en pijn samen. In het bos van Wallers, op de Noordfranse kasseien. Renners die daar nog in het zadel zitten, dansen naar een gelukkige slaap. Dan trekt de kou weg uit botten, pezen en spieren, dan is de hel bijna geleden.

Honderd jaar Parijs-Roubaix is misschien wel de mooiste ode aan het leven: wie niet wil doodgaan, sterft niet. En toch neemt deze klassieker de mens mee naar de grens van beproeving en ontbering. Vooral als het regent. In die zin is Parijs-Roubaix alle oorlogen van deze eeuw voorgegaan. Een beetje vrouw die ooit langs de weg in het bos van Wallers heeft gestaan komt het huis niet meer uit voor Chippendales en aanverwante kleerkasten. Die weet wel waar de echte mannen te vinden zijn. Op de fiets dus.

Parijs-Roubaix is het Global Calcutta op wielen. Je kan er het lot met al zijn ongerechtigheden recht in de ogen kijken. Alleen deze klassieker heeft zijn eigen moedervlekken, gestold in tractorolie, slijk en bloed. Als Erica Terpstra nou eens echt om de hinkende medemens gaf, dan zou ze zondag met honderd jonge daklozen in een busje stappen. En in de grauwe leegte van een Noordfrans dorpje gaan kijken naar die rennersgezichten vol modder en wanhoop. De daklozen zouden zich meteen een stuk beter voelen en Terpstra zelf zou genezen zijn van de dwaze ontroering voor het lullige verhaaltje van Gullit over zijn moeder. Ook het lijden heeft zijn hiërarchie. Ach, Terpstra en wielrennen. Het probleem van deze staatssecretaris is dat ze overal verschijnt als een muziekdoos. Te weinig stilte, te veel valse noten. Daar staat het hoofd van renners niet naar.

De helletocht wordt gekoesterd als een anachronisme. Of naar de woorden van Jacques Goddet: La dernière folie dans le cyclisme moderne. Het geploeter door karrensporen, de dreun van kasseien in armen en benen, de stofwolken bij droog weer of de modderpoel als het regent, dat alles herleidt de hightech-renner van vandaag tot een pre-historische figurant. Parijs-Roubaix is een festival van valpartijen, lekke banden, gebroken frames en stuurvorken, slippende volgwagens en bebloede koppen. De ruggelingse heroïek. Die dag weet elke renner het zeker: geluk is geasfalteerd. Snakken naar asfalt, zouden ze die nederigheid in Sint Michielsgestel nog kennen?

Insiders houden vol dat het de mooiste klassieker van het jaar is. Omdat Parijs-Roubaix meer dan welke andere wedstrijd een gevecht blijft van de eenling tegen het lot. Het systeem van kampioenen en knechten wordt doorkruist door wat houten velgen of zijden tubes willen en kunnen doorstaan. En er is natuurlijk de rozenkrans van grote namen die deze klassieker heeft opgeluisterd. Fausto Coppi, Briek Schotte, Roger de Vlaeminck, Fransesco Moser, Gilbert Duclos-Lassalle, Andrei Tsjmil, ze zijn stuk voor stuk door de heetste brand in hun lijf heen gegaan om op de piste van Roubaix de armen in de lucht te kunnen werpen. Dood maar gelukkig, wie wil dat niet?

Parijs-Roubaix doet me ieder jaar weer aan Hennie Kuiper denken. Een begrensd talent, misschien wel als pechvogel geboren en dus zeer geschikt voor deze wedstrijd. Hennie Kuiper over de kasseien zien vliegen, het gezicht donkerder dan een mijnschacht, kon mij doen janken van geluk. Kuiper was een renner voor Theo Koomen. Dan hoorde je op de radio dat de verslaggever naast de Hollandse kampioen door bietenvelden klauwde, koeien en boze boeren omzeilde, in de klei wegzakte en vervolgens alleen op weg was naar de overwinning. Renner en verslaggever als een tweevoud van hetzelfde lijden en later van dezelfde verlossing, in Parijs-Roubaix mag het. Moet het zelfs.

Slippend en spattend het geluk tegemoet, als ik het een renner gun is het wel Andrei Tsjmil. Niet alleen omdat de Moldaviër van zo ver is gekomen om een kruimel van de welstand mee te pikken, meer nog omdat Tsjmil het hele jaar door lijdt aan het wrede offer dat Parijs-Roubaix is. Hij is namelijk in Roubaix gaan wonen. En dan hebben we het toch over Grozny zonder bommen en kogels. Waar de musette al lang geleden is uitgestorven, waar de kruiphuizen zich schamen voor hun lelijkheid en waar de mensen werkeloos toezien hoe ze oud worden. Roubaix: bijna een stad zonder kinderen. In die desolaatheid held voor een dag zijn is pas echt indrukwekkend.

    • Hugo Camps