Persoonlijke notities uit het Derde Rijk

VICTOR KLEMPERER: Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten. Tagebücher 1933-1945

1794 blz., 2 Bände, Aufbau Verlag 1995, Hrsg. und Nachwort von Walter Nowojski, Mitarbeit Hadwig Klemperer, ƒ 124,95

Hoe kan, ruim een halve eeuw na het einde van de nachtmerrie van het nationaal-socialisme en de Tweede Wereldoorlog, de publikatie van een dagboek uit die jaren een grote gebeurtenis zijn? Dat kan alleen omdat de morele en emotionele problemen van onze tijd nog intens verstrengeld zijn met de thema's en ervaringen uit die kernfase van de twintigste eeuw. Geen discussie over asielzoekers en racisme, 'politiek correct denken', sociaal beleid en het gevaar voor het ontstaan van een lompenproletariaat, Zivilcourage, burgerzin en maatschappelijke verantwoordelijkheid, genetische manipulatie of euthanasie kan worden gevoerd zonder impliciete of expliciete verwijzing naar de grote morele en politieke test waaraan heel Europa ruim een halve eeuw geleden werd onderworpen.

Natuurlijk zijn er al bibliotheken vol geschreven over heel veel aspecten van het grote drama 1933-1945. Maar er blijven steeds lacunes te vullen. Omdat gevestigde beelden en interpretaties onhoudbaar blijken te zijn in het licht van nieuwe feiten, omdat eindelijk verdringing van onplezierige waarheden plaats moet maken voor eerlijke onthulling, voor ontmythologisering. Het overboord gooien van de mythe dat onder de nazi's de Gestapo en de SS de grote misdadigers waren en de Wehrmacht zich steeds 'fatsoenlijk' heeft gedragen past in dit kader, sinds de gruweldaden van de Wehrmacht in Polen, West-Rusland en de Balkan nu eindelijk in detail gedocumenteerd zijn.

De mythe van Oostenrijks slachtofferschap past er in. Maar ook de verzetspapieren van bijvoorbeeld het Franse volk tijdens de Duitse bezetting zijn de laatste jaren in rook opgegaan sinds bekend is hoever 'Vichy' is gegaan in zijn collaboratie en hoezeer de Vichy-autoriteiten mede-verantwoordelijk waren voor de jodenvervolging in het zogenaamd vrije Frankrijk. Ook in Nederland moest worden erkend dat tijdens de bezetting een groot deel van de joodse medeburgers door Nederlandse politiemannen werd afgehaald en dat de Nederlandse instanties, op uitzonderingen na, keurig hun plicht deden in die zin dat zij de door de bezetter verordonneerde maatregelen uitvoerden, misschien zacht morrend maar desondanks.

Hoogtepunt

In de stroom van publikaties die een adequater beeld van het nazi-tijdperk bewerkstelligen zijn de nu met een vertraging van een halve eeuw door de voormalige DDR-uitgeverij Aufbau Verlag uitgegeven dagboeken van de romanist Victor Klemperer een hoogtepunt. Klemperer, in 1881 in Lansberg/Warthe geboren als achtste ('niet levensvatbare') baby van de rabbijn dr. Wilhelm Klemperer, was van jongs af aan een gedisciplineerd en fanatiek gebruiker van zijn pen. Hij groeide op in de schaduw van zijn oudere broers Georg en Berthold, de eerste later een in heel Duitsland beroemde arts (hij behandelde o.a. Lenin), de tweede een succesvolle advocaat. Zijn neef Otto was de wereldberoemde dirigent.

Victor werd in de familie enigszins als minkukel behandeld (als hij jaren later hoort dat zijn neef Otto een hersenoperatie heeft ondergaan en waarschijnlijk gek is geworden, schrijft Victor nóg in zijn dagboek dat er nu niemand meer in de familie is die zijn schouders over hem kan ophalen om hem daarmee te krenken) en aanvankelijk wil hij dan ook maar journalist en schrijver worden. Maar daarna studeert hij alsnog briljant af en wordt hoogleraar, eerst in Napels, daarna in Dresden. Tussen 1923 en 1933 publiceert hij een aantal opmerkelijke boeken over Franse literatuur en 'haalt' daarmee de Brockhaus-encyclopedie.

De nazi's zetten hem in 1935 af. Daarna werkt hij door aan zijn grote project over de Franse literatuur in de 18de eeuw. Totdat joden geen gebruik meer mogen maken van bibliotheken. Hij concentreert zich dan op een autobiografie en tenslotte helemaal op zijn in 1933 begonnen dagboek, waarin hij eerlijk en nauwgezet wil getuigen van het leven onder de nazi's. Zijn dagboek wordt zijn 'balanceerstok', waarmee hij op het levenskoord overeind probeert te blijven. Hij legt zichzelf als taak op “scherp waar te nemen, te bestuderen, zich in te prenten wat er gebeurt. Morgen ziet alles er alweer anders uit, morgen ervaar je alles weer nieuw: houd vast hoe de dingen zich nú aan je voordoen en op je inwerken”.

Levensgevaar

Het manuscript van het dagboek is uiteraard een bron van levensgevaar. Zijn niet-joodse vrouw, de pianiste Eva Schlemmer, die hem uiteindelijk voor deportatie behoedt, brengt de explosieve papieren stukje bij beetje weg naar een vertrouwde vriendin. Ook deze riskeert daarmee haar leven. De dagelijkse notities worden door Klemperer namelijk bewust ongecensureerd op papier gebracht. Namen worden zelden gemaskeerd. Zijn doel, in deze jaren zonder meer zijn levensdoel, is het zonder enige terughoudendheid te rapporteren. Niets wordt verfraaid, geen belevenis van een gouden rand voorzien, geen gevoel of gebrek eraan verzwegen, geen riskant oordeel ingeslikt, geen blijk van menselijke laaghartigheid, lafheid, stupiditeit of edelmoedigheid en generositeit verzwegen, ongeacht of zij van nazi's, onbekende Duitse burgers of joden stammen.

Hierdoor zijn de 1500 door Walter Nowojski en Klemperers tweede vrouw geselecteerde bladzijden unieke lectuur. Het zijn geen herinneringen aan het Derde Rijk van een inmiddels door de wereldgeschiedenis wijs geworden beschouwer. Bijna van dag tot dag kan men volgen hoe het leven in het Derde Rijk met al zijn onzekerheden door deze uitstekend schrijvende, door zijn 'Mischehe' min of meer beschermde joodse intellectueel werd beleefd. Hoe de joden stap voor stap in het isolement en tenslotte de dood in werden gedreven.

Eerst mogen zij geen ambtenaar meer zijn, daarna ook geen arts, als tweede voornaam moeten zij Israel of Sarah opvoeren, zij krijgen een speciale Ausweis, moeten hun vermogen aangeven en verliezen daarvan het grootste deel, dan wordt de toegang tot leeszaal en bibliotheek verboden, het rijbewijs wordt afgenomen, na acht uur mogen zij niet meer op straat, joodse familie mag men niet meer bij zich opnemen, zij krijgen minder voedselbonnen dan 'Ariërs', hun bankrekeningen worden ten dele geblokkeerd, hun pensioenen verlaagd, zij mogen nog maar op één plek gedurende een uur per dag boodschappen doen, parken zijn taboe, de jodenster wordt ingevoerd, schrijfmachines in beslag genomen, bont, wol en elektrische apparaten moeten worden ingeleverd, de Gestapo valt binnen op zoek naar 'cultuurgoederen' die in beslag worden genomen, wonen mag men alleen nog in 'jodenhuizen'.

Solidariteit

Bij het begin van deze stroom maatregelen zijn er nog heel wat joden die denken dat het allemaal wel mee zal vallen. Er zijn geruchten over een val van de regering. Tot aan de grote successen van Hitler in het begin van de oorlog doen constant verhalen de ronde over rebellieën, “arbeiders die er meer dan genoeg van hebben”, aanslagen op de Führer. Het gekanker in winkels en op straat is niet van de lucht, vele kokhalzen bij alle propaganda, verhalen over arrestaties rouleren, in het dorp waar de Klemperers in de jaren '30 nog een huis bouwen wonen verschillende mensen die in concentratiekampen hebben gezeten. Natuurlijk beheersen de fanatieke nazi's het straatbeeld en de media, maar steeds weer schrijft Klemperer over verrassende blijken van solidariteit van vaak wildvreemde mensen met het joodse lot. Zo wordt hij met respect gegroet door iemand die blijkt te behoren tot een groep Dresdener burgers die alle joden zo tegemoet treedt. In veel winkels wordt hem iets extra's toegestopt. Op straat riskeren mensen hun leven door hem toe te roepen: “Kop op, het kan niet lang meer duren”.

Pijnlijk is te lezen dat dergelijk gedrag, met een enkele uitzondering, nooit bij jongeren voorkomt. Keer op keer wordt Klemperer door teenagers geschoffeerd. Trotse zwangere 'Arische' vrouwen laten hun minachting blijken, anderen roepen 'Judenluder' of 'Warum lebst du noch?' Dat laatste ervaart Klemperer ook steeds meer als een wonder. De jaren 1942 en 1943 brengen alleen maar verslechtering voor de joden. Hij brengt met zijn vrouw aan de lopende band afscheidsbezoeken aan mensen die naar Polen of Theresiënstadt worden gedeporteerd. Dat dat meestal de dood betekent weet iedereen. Maar het woord 'gaskamers' komt in de dagboeken niet voor. Auschwitz wordt het eerst in maart 1942 vermeld en staat voor gewisse dood. Maar hoe het er precies toeging wist men blijkbaar niet. Klemperer zet nog in januari 1945 met kennelijke verbijstering in zijn dagboek dat Thomas Mann in een radiorede had gezegd dat in Auschwitz en Birkenau 1,7 miljoen mensen zijn vermoord.

Klemperer is de zoon van een rabbijn, maar al als jongeman wordt hij protestant en zijn religiositeit kan worden samengevat met de door hem geciteerde spreuk: “Tout est possible, même Dieu”. Hij beziet de wereld om hem heen en rapporteert er over als een kind van de Verlichting, van de door hem zo bewonderde Franse 18de eeuw. Voltaire, Montesquieu zijn zijn helden. Maar Rousseau verafschuwt hij. Terug naar de natuur is voor hem barbarij. De ontindividualisering, de massacultuur van het nationaal-socialisme, het bolsjewisme en ook het Amerikanisme ziet hij als hierop terug te voeren rampen.

Maar Klemperer, die zich zelf ziet als een produkt van Duitse cultuur, is er aan de andere kant ook van overtuigd dat er iets onvervalst Duits is aan het nazisme. In de jaren dertig valt hem steeds meer de zalvende religieuze toon op van Hitler. 'Jan van Leiden' (de wederdoper die als koning van Sion in Münster een schrikbewind voerde) noemt zijn vrouw Eva de Nazi-Führer. Klemperer vraagt zich in zijn dagboek af: is dit alles voortgesproten uit de bloedige hysterie van de Eerste Wereldoorlog, uit de immoraliteit en domheid van een groot deel van het Duitse volk? De 'Duitse ziel' zou in elk geval volgens hem alleen kunnen genezen van de nazi-ziekte, van deze kankervariant, als het Duitse volk helemaal van voren af aan zou beginnen met een ABC der moraal. Consequente bestraffing van de nazi's, de Gestapo, de SS zou daarbij uitgangspunt moeten zijn.

Totalitaire taal

Ook de totalitaire taal van het nazisme zou gerehumaniseerd moeten worden. In het dagboek maakt Klemperer steeds aantekeningen voor een boek over de taal van het Derde Rijk. Het werd gepubliceerd in 1947 als Notizbuch eines Philologen. Een soortgelijk boekje over de taal van het Vierde Rijk, de DDR waar Klemperer na 1945 tot zijn dood in 1960 aan verschillende universiteiten als Romanist bleef doceren, en waarvoor hij ook materiaal verzamelde, zag uiteraard nooit het licht. Evenmin toevallig verscheen het nu gepubliceerde dagboek met zijn liberaal humanistische instelling, afschuw van elke vorm van totalitarisme en gelijkstelling van nazisme en bolsjewisme pas ná de ondergang van de DDR en het Sovjet-imperium.

Ook al zoekt Klemperer naar de wortels van het nazisme in het Duitse verleden, lezing van de dagboeken stimuleert toch de bescheidenheid die zolang heeft ontbroken in de beoordeling van de nazi-tijd. Er was aanvankelijk ook in Duitsland veel scepsis tegenover de nazi's. Hitlers vroege successen, in het Rijnland, in Oostenrijk, in Tsjechoslowakije, vaak het resultaat van stupiditeit en lamlendigheid in Parijs en Londen, brachten hem pas bewondering op nationale schaal. Ook Klemperer noemt 'München' een verbluffend succes. De steeds escalerende nazi-gruwelen, waar men bovendien machteloos tegenover stond, wekten later vaak afschuw en 'genazen' heel wat Duitsers van hun aanvankelijke nazi-sympathie. Steeds opnieuw komen in de dagboeken niet-joodse Duitsers voor die helpen waar ze kunnen en vaak verbijsterd zijn over de details van de anti-joodse maatregelen die lange tijd kennelijk niet algemeen bekend waren.

Grote teleurstellingen bracht bovendien de naoorlogse tijd, toen de nazi's verslagen waren, maar de genezing van de 'Duitse ziel' onder Geallieerd toezicht zich niet voltrok zoals Klemperer die zich had voorgesteld. In het Westen liet zij op zich wachten; in de DDR kwam zij nooit tot stand. Klemperer moest in Dresden vechten om zijn leerstoel terug te krijgen. Oud-nazi's waren in de universiteit al weer gauw aan de macht en omdat hij niet in een concentratiekamp had gezeten wilde men in Klemperer geen nazi-slachtoffer zien. Kenmerkend was de levensloop van de in de dagboeken meermalen voorkomende Gestapoman Clemens die samen met zijn maat Weser Dresden terroriseerde. Hun bijnamen luidden de 'mepper' en de 'spuger'. Mepper Clemens, hoewel met naam en toenaam bekend, kreeg na 1945 een baan bij de Bundesnachrichtendienst in de Bondsrepubliek. Dat hij tenslotte toch nog de binnenmuren van een gevangenis te zien kreeg, kwam alleen omdat hij bleek te spioneren. Voor de communisten.