'Islamitisch verzet' voelt zich sterk met steun van Iran

De afgelopen dagen herhaalde de geschiedenis van Libanon zich. Zoals in augustus 1982 viel Israel specifieke doelen in Beiroet vanuit de lucht aan en was de luchthaven voor ieder verkeer gesloten. Zoals in 1985 was Dahiya, een van Beiroets armoewijken, uitsluitend toegankelijk met toestemming van de gewapende tieners van Hezbollah. Libanese militairen lieten het gisteren uit hun hoofd het gebied te betreden. En zoals in 1993 voerde het 'Islamitisch Verzet' in Zuid-Libanon de strijd tegen Israel zodanig op, dat de Israelische regering zich genoodzaakt zag steeds hardere represaillemaatregelen te nemen.

Slachtoffers van de blinde beschietingen over en weer werden toen de burgers van Noord-Israel en Zuid-Libanon. Nadat enkele Israeliërs en 147 Libanezen waren gedood en duizenden Israeliërs en tienduizenden Libanezen het strijdtoneel waren ontvlucht, sloten de partijen in juli 1993 met Amerikaanse bemiddeling een overeenkomst om hun oorlog te beperken tot de 'veiligheidszone', dat wil zeggen elf procent van het Libanese grondgebied. Voortaan zou men elkaars burgers buiten deze zone niet langer beschieten.

Maar de afgelopen maanden voelde Hezbollah zich steeds sterker. Iran wilde de strijd opvoeren om elke kans op een vredesakkoord in de kiem te smoren. En de Syrische president Hafez al-Assad achtte het zinvol de vredesbesprekingen in een voor hem gunstige zin te beïnvloeden door de Israeliërs in Zuid-Libanon zoveel mogelijk te verzwakken. Het ongeschreven akkoord van juli 1993 is dan ook niet langer van kracht. Vandaar de terugkeer in de tijd.

Het 'Islamitisch Verzet' was vroeger de militaire arm van de radicaal-shi'itische beweging Hezbollah. Toen Hezbollah zich in 1992 als politieke partij formeerde, en bij de verkiezingen 8 van de 128 parlementszetels won, werd het Islamitisch Verzet - naar het voorbeeld van zijn Palestijnse broederpartij Hamas - een aparte en ultra-geheime groep van niet meer dan duizend mannen die in Iran een militaire opleiding hadden gekregen. In goede tijden zijn zij gewoon soldaten van Hezbollah, de Partij van Allah. In slechte tijden kan Hezbollah, dat dankzij een jaarlijkse Iraanse bijdrage van naar schatting 80 miljoen dollar een enorm imperium beheerst van sociale, culturele, medische en charitatieve instellingen, desgewenst afstand van hun acties en beslissingen nemen.

De mannen van het Islamitisch Verzet beschikken over Franse en Amerikaanse antitank- en luchtafweerraketten, Nederlandse nachtzichtapparatuur, mobiele mortieren, alsmede diverse soorten Stalin-orgels, waarmee zij hun katjoesja-raketten afschieten. Daardoor zijn zij in staat om de tank- en artillerieaanvallen van Israel en Israels bondgenoot ter plaatse, het Zuidlibanese Leger (SLA), te beantwoorden. Bovendien heeft het Islamitisch Verzet allerlei luchtdoelraketten, mogelijk zelfs de door de VS aan de Afghaanse mujahedeen geleverde Stingers, die van de schouder worden afgeschoten, waardoor de Israelische luchtmacht hen niet van geringe hoogte kan bombarderen. En ten slotte hebben de strijders van het Islamitisch Verzet dankzij hun Iraanse sponsors de beschikking over geavanceerde communicatieapparatuur, waardoor zij radiografisch van kilometers afstand mijnen tot ontploffing kunnen brengen.

Pagina 4: Volgens Libanon moet Israel zich gewoon terugtrekken

Deze even goed bewapende als gemotiveerde strijders, die zonder uniform opereren, zodat zij niet van gewone burgers zijn te onderscheiden, konden de afgelopen maanden hun dodelijke overvallen op Israelische patrouilles sterk opvoeren met behulp van speciale, door Iran geoefende verkenningseenheden. Hun operaties zijn volgens de Israelische specialisten veel beter voorbereid en uitgevoerd dan ooit door Israels vroegere vijanden in dit gebied, de strijders van de PLO.

Tegenover het Islamitisch Verzet staat het 3.000 man tellende, door Israel gecreëerde Zuidlibanese Leger (SLA) onder leiding van de christelijke generaal Antoine Lahad, ondersteund door ongeveer duizend Israelische militairen. De soldaten van het SLA, dorpelingen uit de 'veiligheidszone', zijn voor circa 60 procent christenen en 40 procent shi'ieten. Zij krijgen een soldij van 500 gulden per maand, wat voor Libanese begrippen niet slecht is. Maar hun moreel werd de afgelopen tijd in toenemende mate ondermijnd door het in de lucht hangende vredesproces.

Zij weten dat zij door vele Libanezen als landverraders worden gezien omdat zij zich aan de zionistische vijand hebben verkocht. En zij beseffen dat zij - als de vrede inderdaad uitbreekt - niet langer door Israel worden beschermd. Daardoor heeft het SLA zwaar ingeboet aan slagkracht en is het aantal deserteurs gegroeid. Vervangers zijn moeilijk te vinden omdat Libanese dorpelingen geen heil zien in een tijdelijke beschermheer. Dus moest het Israelische leger in toenemende mate de rol van het SLA overnemen, wat het aantal Israelische slachtoffers nog meer verhoogde.

Weliswaar heeft de vermoorde Israelische premier Rabin vorig jaar als één van de Israelische voorwaarden voor ontruiming van de 'veiligheidszone' gesteld dat de leden van het SLA gratie krijgen en in het Libanese leger worden opgenomen - naar het voorbeeld van andere milities die na afloop van de burgeroorlog werden opgeheven. Maar de Libanese regering heeft daarop afwijzend gereageerd. Zij vindt dat Israel helemaal geen eisen mag stellen omdat de Veiligheidsraad in resolutie 425 al in 1978 de onvoorwaardelijke terugtrekking eiste van alle Israelische troepen van Libanees grondgebied. Bovendien wil Syrië niets weten van Libanese militairen die in dienst van Israel hebben gewerkt. Dat zou op termijn de Syrische hegemonie over Libanon kunnen bedreigen. Het Libanese antwoord op Rabins eis was dan ook dat generaal Lahad bij verstek wegens landverraad ter dood werd veroordeeld. Regeringsfunctionarissen in Beiroet lieten wèl discreet weten dat amnestie voor gewone SLA-soldaten mogelijk is en dat 100 tot 150 SLA-officieren in de gelegenheid zullen worden gesteld Libanon te verlaten.

Een maand geleden verklaarde de Libanese premier Rafiq Hariri: “Israel moet kiezen. In vrede met ons te leven - en in dat geval is het welkom. Of de Arabische wereld te overheersen - wat geen van de Arabische staten zal accepteren.” Eergisteren herhaalde hij voor de zoveelste maal dat het escalerende conflict tussen het Islamitisch Verzet en Israel simpel kan worden opgelost als Israel zich onvoorwaardelijk uit de 'veiligheidszone' terugtrekt. Daarna zal het Libanese leger zorgen voor vrede langs de Israelische grens. Voor de rest kan en wil de Libanese regering niets doen - en zeker niet optreden tegen de vrijheidsstrijders van Hezbollah.

Die uitspraken lijken video-opnames van hetgeen de Syrische president Hafez al-Assad zegt. Assad is van mening dat Syrië onder de huidige omstandigheden vrede zal moeten sluiten met Israel, maar dan wel op voorwaarde dat dit Israel zo klein en zo beheersbaar mogelijk is. De Libanese premier is verplicht hetzelfde te denken omdat de Libanese politiek sinds 1990 - met de zegen van het Westen, de Arabische wereld en Israel - voor 100 procent wordt bepaald door de grote Syrische Broeder. Wie naar de Libanese hoofdstad Beiroet komt, wordt daar begroet door de foto's van de Syrische president en gecontroleerd door agenten van de Syrische veiligheidsdiensten. Hoe weinig ruimte de Libanese politici hebben, legt Waleed uit, een Libanese sunni-moslim. “Als Rafiq Hariri niest, moet hij eerst aan Damascus vragen of hij zijn neus mag snuiten. Vervolgens mag hij zelf beslissen of hij een tissue of een zakdoek gebruikt.”

Die voorstelling van zaken is iets te cynisch. Hariri mag dan op politiek gebied geen vinger kunnen verroeren zonder Syrische goedkeuring, hij heeft wèl enige speelruimte om de Libanese economie te herstellen. Hij is, zoals Waleed het noemt, “Assads minister voor de Libanese economie en wederopbouw”.

Dit nog overgebleven stukje Libanese souvereiniteit wordt nu echter ernstig bedreigd door de Israelische vergeldingsacties van de afgelopen dagen en de nog te verwachten acties. Donderdag werd, een uur voor de officiële uitschrijving, de uitgave van een obligatielening van honderd miljoen dollar ten behoeve van de Libanese staat voor onbepaalde tijd uitgesteld. Ten overvloede waarschuwde de Israelische onderminister van defensie, Uri Orr, de Libanese regering voor de risico's die zij loopt, als zij niets doet om de acties van het Islamitisch Verzet in te perken. “Ze moeten maar eens overwegen of zij willen doorgaan met de opbouw van Libanon, waarover zij zo opscheppen, of dat de investeringen in Libanon zullen ophouden en het land weer naar zijn ellende van de afgelopen jaren terugkeert.”

Het staat vast dat Israel af wil van de afspraak van juli 1993 die het de strijders van het Islamitisch Verzet mogelijk maakt om in de 'veiligheidszone' te opereren en vervolgens een veilige toevlucht te zoeken even buiten deze zone, waar zij niet aangevallen mogen worden. Al geruime tijd klagen Israelische militairen dat zij daardoor met gebonden handen de strijd moeten aanbinden met een vijand die steeds vermeteler operaties uitvoert.

Het staat ook vast dat Israel, wat de regering-Clinton betreft, voorlopig het groene licht heeft om in Libanon te doen wat het wil doen. Voldoende reden voor de Syriërs om voor het eerst sinds de vredesconferentie van Madrid in 1991 de Amerikanen ervan te beschuldigen “hun rol van eerlijke makelaar in het vredesproces te hebben verbeurd”. Radio Damascus kondigde dan ook gisteren dreigend aan dat de Israelische aanvallen “de voorloper kunnen zijn voor gevaarlijker consequenties”.