Het heilig psychoanalytisch vuur

HAN GROEN-PRAKKEN: Psychoanalysis in a postclassical context. Essays by Charles M.T. Hanly, Anton O. Kris and Nikolaas Treurniet

80 blz., Van Gorcum 1996, ƒ 35,-

J.A.A.M. VAN DE SANDE: De analytische beweging. Over psychoanalyse vroeger en nu

112 blz., Boom 1996, ƒ 27,50

STEPHEN A. MITCHELL en MARGARET J. BLACK:

Freud and beyond. A history of modern psychoanalytic thought

293 blz., BasicBooks 1995, ƒ 55,55

EDWARD NERSESSIAN en RICHARD G. KOPFF (red): Textbook of Psychoanalysis

726 blz., American Psychiatric Press 1996, ƒ 279,60

Over de beoefenaars van de Freudiaanse praatkuur op de divan heersen bij het grote publiek de wildste fantasieën. Bijvoorbeeld dat een psychoanalyticus in staat is iemand tot in het diepst van zijn ziel te begluren of dat elke analyse tenslotte wel in bed zal eindigen onder het motto: 'Leg uw kleren maar op de mijne'. In dit licht is de uitspraak van de Nederlandse psychoanalytica Jeanne Lampl-de Groot van ruim tien jaar geleden opmerkelijk, dat alles geoorloofd is in de psychoanalyse, behalve de patiënt lastig vallen met je eigen problemen. Daarvoor is nodig dat de analyticus goed in de gaten houdt hoe het zit met zijn tegenoverdrachtsgevoelens jegens de patiënt.

Klassieke Freudianen, geïnteresseerd in het ophelderen van het onbewuste via de droomduiding, beschouwen overdracht en tegenoverdracht als storend in het psychoanalytisch proces. Moderne analytici zijn daarentegen minder met duiding van het onbewuste bezig en varen soms bijna geheel blind op wat er in de overdracht en tegenoverdracht gebeurt. Interessant is in dit verband wat Sabine Spielrein, zelf slachtoffer van een uit de hand gelopen behandeling, bijna tachtig jaar geleden schreef aan haar therapeut Carl Gustav Jung: “Waarschijnlijk is de neutrale houding van de dokter die Freud aanbeveelt de beste voor de gemiddelde patiënt, want als de dokter in de loop van de analyse afkeuring toont vergroot hij de weerstand en verdringing bij de patiënt; als hij te veel plezier laat merken versterkt hij de patiënt in diens gemakzuchtige neigingen en 'verzadigt diens verlangen met bloed'. Deze twee extremen zijn vooral riskant in een analyse waarbij het om een dokter en patiënt van verschillend geslacht gaat.”

Ondertussen is men het over de toestand van de psychoanalyse van nu in Nederland in psychiatrische kring lang niet eens. Volgens de één is zij op sterven na dood, volgens de ander bevindt ze zich in een obscure sluimer en een enkeling hoopt stilletjes op een nieuwe lente voor de psychoanalyse. De eerste groep psychiaters vindt de moderne psychoanalyse als behandelvorm hooguit interessant en curieus, maar toch vooral onwetenschappelijk en hopeloos gedateerd. Liever klampen zij zich vast aan de 'duidelijkheid' van de diagnostische criteria van de vierde editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, kortweg DSM-IV, en de gestandaardiseerde behandelprotocollen. Creativiteit, nieuwsgierigheid en scherpzinnigheid heb je daarbij nauwelijks nodig. De tweede groep gebruikt behalve psychofarmaca tevens psychoanalytische begrippen in de dagelijkse praktijk om onbegrijpelijk gedrag en bepaalde interactiepatronen inzichtelijk te maken. Dat is alles behalve saai of bloedeloos. Ten slotte bestaat er nog een zeer kleine schare psychiaters en psychologen die zich door het heilige analytische vuur bevlogen weet. Een deel daarvan is vandaag aanwezig bij het symposium in Amsterdam ter ere van de zeventigste verjaardag van de psychoanalyticus Nikolaas Treurniet.

Onverwerkte rouw

Om een beetje de sfeer te proeven van wat daar tijdens het symposium gebeurt noem ik twee netelige kwesties die allebei met tegenoverdracht te maken hebben. Eén is van de Duitse psychoanalyticus Peter Wegner, de andere van de Canadese psychoanalyticus en hoogleraar filosofie Charles Hanly. Na een jarenlange analyse gaat het met de jonge patiënte van Wegner ineens bergafwaarts. Tot die tijd was zij voortdurend een voorbeeldige patiënte geweest. Naar elke sessie keek Wegner verlangend uit, terwijl hij haar toch op het eerste gezicht helemaal niet aantrekkelijk vond. Bij de vrouw speelde onverwerkte rouw om de plotselinge dood van haar vader toen zij negen jaar oud was een belangrijke rol, een trauma dat pas tegen het einde van de analyse naar boven kwam. Wegner zag over het hoofd hoe afhankelijk ze van hem was, maar ook hoe hij zichzelf liet bevestigen in de rol van 'goede' analyticus. Van therapie was nauwelijks sprake geweest.

Spannende momenten beleefde de psychoanalyticus Hanly met een mannelijke analysant die hem in een sessie woedend aankondigde dat hij drie examinatoren met een geweer wilde vermoorden, omdat ze van plan waren hem te laten zakken. Daarna zou hij de hand aan zichzelf slaan. Hanly zag de koppen in de krant al voor zich: 'Verdachte was in psychoanalyse bij professor in de filosofie'. Hanly kreeg het Spaans benauwd, maar de politie belde hij niet. In plaats daarvan hield hij het hoofd koel en wist met een duiding over de vader van de man, die altijd door diens vrouw was vernederd (gecastreerd), het tij te keren. Dank u, mompelde de man, die zich door zijn analyticus begrepen voelde. Voor het eerst na lange tijd ging het stukken beter met de seks.

Deze casus en de andere voordrachten staan in het vandaag te verschijnen Psychoanalysis in a Postclassical Context. Achterin staan bovendien al Treurniets publicaties vermeld. Volgens Treurniet zijn de neutraliteit, onthouding en anonimiteit van de analyticus feitelijk onmogelijk. In een ander (pas verschenen) boek De analytische beweging. Over psychoanalyse vroeger en nu legt Treurniet uit wat psychoanalyse is, waarbij hij onderscheid maakt tussen de voorgrond en achtergrond in de overdracht. Jammer genoeg zijn Treurniets teksten niet altijd even toegankelijk. Wel schrijft hij mooie dingen over de moederborst: “De rampspoed van de patiënt is niet begonnen op de dag dat de borst aan zijn lippen onttrokken werd; het is het proces van telkens weer het goede voorgoed kwijt te zijn dat telt.” Echt onvergetelijk blijf ik evenwel Murderous Guilt vinden over de behandeling van een jonge homoseksuele man die in Zweden samen met een landgenoot een gruwelijke moord pleegt op een Nederlandse knaap. (Zie NRC Handelsblad van 24 december 1994.)

Aan de blakende welstand van de Amerikaanse psychoanalyse hoeft niet getwijfeld te worden, wat onder meer blijkt uit boeken als Freud and Beyond. A History of Modern Psychoanalytic thought en het onlangs verschenen Textbook of Psychoanalysis, voor de echt liefhebber en specialist, waarin Nederlandse coryfeeën zoals Lampl-de Groot en Treurniet helaas ontbreken. Het studieuze tekstboek bevat alle finesses van de psychoanalyse over bijvoorbeeld afweermechanismen, overdracht, tegenoverdracht, driften en objectrelaties, maar ook over behandeling en onderzoek. Een enkele misslag neme men voor lief, bijvoorbeeld dat Freud 85 (in plaats van 83) jaar geworden zou zijn. Gezien de prijs lijkt me dit boek echter meer geschikt voor de vakbibliotheek. Freud and Beyond bevat een informatieve maar gortdroge historische opsomming van de ideeën van de belangrijkste psychoanalytische auteurs, te beginnen bij Freud. Pas aan het slot, als de controverse over de techniek aan de orde komt, wordt het aardig. Na drie jaar analyse bij een jonge analyticus komt Harvey, een kunstenaar, voor de draad met de verontrustende fantasie dat zijn analyticus zelf opgenomen is geweest in de psychiatrie en lijdt aan schizofrenie gezien diens frequente gebruik van neologismen. Harvey denkt de beste patiënt èn redder van zijn analyticus te zijn. Laatstgenoemde wordt zeer angstig, totdat hij zich realiseert dat de moeder van Harvey enige tijd voor diens geboorte psychiatrisch opgenomen is geweest.

Fouten

Van de besproken boeken vind ik De analytische beweging. Over psychoanalyse vroeger en nu overigens het best. Men hoede zich binnen de analyse voor “haarkloverij van een dolgedraaide zuiverheidsdwang”, zegt Treurniet terecht. Opvallend is het verschil in benadering tussen (de strenge) Jan van de Sande en (de milde) Harry Stroeken. Van de Sande: “Wanneer we door de bril van vandaag naar de behandeling van toen kijken, kunnen we ons afvragen hoe het mogelijk is dat patiënten genazen niettegenstaande de fundamentele fouten die werden gemaakt. Was het de betrokkenheid van de behandelaars, waren het natuurtalenten die intuïtief voor een goede 'holding' zorgden? In ieder geval moesten zij het doen zonder kennis van het onbewuste, de interactie, de diagnostiek van de ziektebeelden en de techniek waarover wij tegenwoordig beschikken.”

Waren Freuds patiënten anders dan de patiënten in onze tijd? Stroeken: “Wanneer U door de tijd gebonden verschillen heen kijkt, ziet u ze ook vandaag nog rondlopen, de Dora's en de Rattenmannen.” En: “We hebben de neiging te denken dat Freud lichte, oedipale neurosen behandelde, maar dat is niet het geval. De problematiek van zijn patiënten was ernstiger en minder uniform. (...) Het werk was vroeger niet lichter en de patiënten niet gemakkelijker. Maar men waagde toen misschien uit onwetendheid waarschijnlijk meer en kwam daardoor ook voor grotere verrassingen te staan.”

Dat Freud zeer moeilijke patiënten in behandeling had, staat vast. Neem Elfriede Hirschfeld die hij in zes artikelen noemde en die zeven jaar bij hem in behandeling was. Elfriede had een onbuigzame behoefte aan liefde. Of je beantwoordt die liefde, òf je haalt je de volle vijandigheid van de versmade vrouw op je hals, schrijft Freud. “In geen van beide gevallen kan men de belangen van de kuur behartigen. Men moet zich onverrichterzake terugtrekken en kan zich eventueel het probleem voorhouden hoe het vermogen tot een neurose samengaat met een zo onbuigzame behoefte aan liefde.” Ze was eerder reeds door Janet, Jung, Pfister, Ludwig Binswanger en Bleuler gezien. Laatstgenoemde dacht aan beginnende schizofrenie. Freuds behandeling werd geen succes.

Het allerbeste hebben ze in dit boek voor het laatst bewaard. Adeline van Waning overtuigt volledig met haar beschrijving van de vrouw die als pionier in de psychoanalyse miskend werd: Sabine Spielrein, die letterlijk een middenpositie innam tussen Freud en Jung.