FLORENTIJNSE LIEFDE VOOR DE HEL

De Italiaanse wielrenners zijn toonaangevend in de voorjaarsklassiekers. Morgen behoort Franco Ballerini (31) tot de favorieten in Parijs-Roubaix. De zoon van een botenbouwer uit Florence was de laatste jaren uitblinker op de Noordfranse kasseien. Alleen vorig jaar wist hij de helletocht op zijn naam te schrijven. “Om Parijs-Roubaix te kunnen winnen moet je hem eerst een paar keer hebben verloren.”

Een kleine onderkin onderstreept een markante kop. Wielrenners behoren geen vet te hebben, maar Franco Ballerini heeft nu eenmaal aanleg om dik te worden. “Als ik het raam open zet, komen er al twee kilo bij”, zegt hij met een twinkeling in de donkerbruine ogen. Zijn humor is bekend in het peloton, zijn aanvalslust evenzeer. Juist in Parijs-Roubaix komt zijn gewaagde rijstijl goed van pas. Al honderd jaar is de aanval de beste verdediging in de 'Hel van het Noorden'.

“Je moet van voren rijden, om alle onverwachte momenten te kunnen overzien. Alleen moet je niet roekeloos gaan rijden, dat kan je opbreken. Ik rijd aanvallend omdat ik eigenlijk geen keus heb. Ik ben niet zo'n goeie sprinter om mijn kansen te kunnen afwachten. Ik heb hetzelfde probleem als Chiappucci in de bergen. Hij is als aanvaller een held geworden. Waarom word ik dan als een domoor beschreven? Chiappucci heeft toch ook vaak verloren?”

Of de aanvallende tactiek morgen loont, is afhankelijk van de concurrentie en de weersomstandigheden. Bij droog weer worden de wegen stoffig en krijgen de renners moeite met ademhalen. Bij regen of natte sneeuw vormen de glibberige kasseien een extra lastig obstakel. Ballerini heeft de voorbije jaren onder alle omstandigheden goed gereden. Hij heeft de afgelopen week wel regelmatig naar het Franse weerbericht geluisterd. Meer uit nieuwsgierigheid dan uit eigenbelang.

“Als het regent, regent het voor iedereen. Als de concentratie goed is, is het weer geen probleem. Dat geldt alleen voor kleinere koersen, dan stap je met slecht weer eerder af. Gebrek aan motivatie. Met regen is het wel moeilijker om de gaten te zien. Je weet niet waar je je wiel neerzet, waar de kuilen zitten, of het een groot of een klein gat is. Dus rijd je eerder lek.

“Het is heel simpel, je moet de grootste gaten vermijden en de kleinste gaten kiezen. Als het regent, is het beter in het midden te rijden. Daar kun je de weg nog een beetje zien. Als het droog is, kun je beter langs de zijkanten rijden. Dan rijd je wat op de aarde en kun je meer snelheid krijgen. In de modder zie je geen hand voor ogen. Dat maakt het extra lastig.

“Als je lek rijdt, heb je geen tijd om te eten, dan moet je per se terugkeren bij de groep. Eten is belangrijk in alle koersen, maar in Parijs-Roubaix extra belangrijk. Op de kasseistroken is je hartslag altijd heel hoog, dat betekent dat je veel energie verbruikt. Het is net als met een auto, die verbruikt ook meer benzine als hij door het zand rijdt.”

Volgens Ballerini is het een fabeltje dat een wielrenner in goede doen niet door pech wordt achtervolgd. “Fortuna, capito?” In 1994 was hij in topvorm, maar was hij na vijf lekke banden kansloos voor de zege. In 1995 dankte hij de overwinning aan een vlekkeloze race. Zijn fiets bleef heel en de gespierde benen deden de rest.

“Ik weeg tachtig kilo, waardoor ik in principe eerder een lekke band krijg dan een lichte coureur. Charly Mottet, die maar zestig kilo weegt, vertelde me dat hij nooit lek heeft gereden in Parijs-Roubaix. En toch heeft hij de klassieker nooit gewonnen en ik wel. Een zwaargewicht is zeker niet in het nadeel. Sla de winnaars er maar op na. Je moet fysiek heel sterk zijn, anders red je het niet. Het is meer een kwestie van kracht dan van souplesse.

“Als je Parijs-Roubaix voluit hebt uitgereden, moet je minstens twee weken bijkomen van alle inspanningen. Wie morgen een topprestatie levert, zal volgende week in de Waalse klassiekers niet van voren rijden. Alles doet pijn. De koers put je helemaal uit. Na mijn eerste Parijs-Roubaix in 1989 was ik niet eens in staat te douchen. Om mijn benen te bewegen, moest ik ze met mijn handen optrekken. Ik kon me niet voorover buigen. Ik kon niet eens mijn haren wassen. Ongelooflijk.”

Ballerini noemt de 'Hel van het Noorden' de mooiste aller wielerkoersen. Toch toont hij begrip voor de bedenkingen van bijvoorbeeld Bernard Hinault, die slechts met frisse tegenzin aan de start verscheen. De vijfvoudig Tourwinnaar had andere belangen, hij piekte in de zomermaanden. Ballerini richt zich noodgedwongen op het voorseizoen. Sinds zijn negentiende wordt hij geplaagd door hooikoorts. Door zijn allergie voor pollen mist hij in de zomer de vereiste topconditie. Pas wanneer de bladeren gaan vallen, stijgen zijn kansen op een hoge klassering.

“Mijn ogen worden dik, mijn neus raakt verstopt. Ik ruik het eten niet meer. Ik slaap meestal slecht. En ik voel me heel vermoeid. Het is ook moeilijk na de allergie weer conditie te krijgen. Mijn longinhoud is onder normale omstandigheden meer dan zeven liter, tijdens de hooikoorts minder dan vier liter. Dat zegt toch genoeg. Ik kom bij wijze van spreken geen heuvel meer op.”

Vraag Franco Ballerini naar zijn grootste deceptie en hij zal altijd refereren aan de editie van 1993 van Parijs-Roubaix. Met iets meer dan een banddikte verschil verloor hij in de sprint van Gilbert Duclos-Lassalle. De Italiaan had zich vergist in de veerkracht van de Fransman. “Ik heb hem totaal onderschat. Ik kwam de baan op en dacht al gewonnen te hebben. Als ik harder had gereden, zou ik hem zeker hebben verslagen. Voor mijn gevoel had ik al gewonnen voordat we de piste opkwamen. Ik heb sindsdien geleerd nooit meer iemand te onderschatten. Ook al gaat het om een piepkleine coureur, je moet hem altijd nog verslaan.”

Zelfs na de fotofinish kon Ballerini niet geloven dat hij verloren had. Hij vervloekte de dag dat hij had besloten beroepsrenner te worden. Zijn schoonvader gooide uit woede een duur horloge kapot. Bij thuiskomst kreeg hij een opbeurend telefoontje van Francesco Moser, zelf drievoudig winnaar van Parijs-Roubaix. “Hij vertelde me dat hij ook vaak had verloren. Dat was goed voor mijn moraal.”

Vorig jaar nam hij revanche op zijn criticasters, die hem een geboren verliezer noemden. Met een ruime voorsprong draaide hij de wielerbaan van Roubaix op. Een onbeschrijflijk gevoel, zegt hij een jaar later. “Ik herinner me nog heel goed dat ik als junior een koers had gereden. Dat was in 1980. Na afloop zag ik Moser op de televisie in zijn eentje de wielerbaan van Roubaix opkomen. Dat beeld is me altijd bijgebleven. Ik weet nog wat ik als jongetje van vijftien toen heb gedacht: die Moser moet wel een geweldige voldoening hebben gekregen. Ik heb vanaf die dag nagestreefd ooit hetzelfde te beleven. Prachtig als het dan lukt.”

De dag na zijn heroïsche zege stond de telefoon roodgloeiend in huize Ballerini. Winnen in Parijs-Roubaix brengt de wielergekke Italianen in hogere sferen. “Zelfs de president van Ferrari heeft me gebeld. Nee, hij heeft me geen auto cadeau gedaan. Hij vroeg me of ik hem wilde opzoeken. Ik weet niet wat hij er precies mee bedoelde. Het was natuurlijk wel een mooi gebaar.”

Ballerini had geleerd van zijn eerder gemaakte fouten. Na een vijfde, een tweede en een derde plaats bleek hij in de editie van 1995 eindelijk in staat zijn favorietenrol waar te maken. Zijn routine kan ook morgen van doorslaggevende betekenis zijn. “Ervaring is heel belangrijk. Om te kunnen winnen moet je Parijs-Roubaix eerst een paar keer hebben verloren. Je moet van je fouten leren. Een goede coureur weet altijd waar en waarom hij een fout heeft gemaakt. Hij zal het alleen niet gauw toegeven. Hij zal altijd zeggen dat alles goed gegaan is. Maar ondertussen weet hij precies welke fout hij heeft gemaakt.

“De fouten zitten in je hoofd, daarvoor heb je geen videoband nodig. Die kennis en ervaring is nog belangrijker dan de vorm, want een ervaren coureur zonder topvorm is even goed in staat Parijs-Roubaix te winnen. Als je jong bent kun je gemakkelijker verliezen, ook al ben je nog zo sterk. Eén tactische blunder betekent meteen het einde. Bijvoorbeeld als je te veel overtuigd bent van je krachten en te vroeg wil demarreren.

“Als je benzine opraakt op de kasseien, sta je vrijwel stil. Het is niet zoals op een berg. Als daar je benzine opraakt, schakel je wat lichter en kun je verder met tien kilometer per uur. Op de kasseien is het onmogelijk terug te schakelen en met minder snelheid door te rijden. Dan kun je eenvoudig niet op de weg blijven. Op de kasseien is het alles of niets.”

In Italië was men in de jaren zeventig en tachtig óf voor Moser óf voor Guiseppe Saronni, een tussenweg bestond er niet. Ballerini's aanvalslust roept herinneringen op aan de tempobeul Moser. Toch heeft hij meer opgestoken van Saronni, die net als zijn rivaal de Ronde van Italië en de wereldtitel veroverde, maar zich nooit heeft gewaagd aan de Franse kasseien. Saronni was meer een sprinter, een berekende coureur.

“Ik heb met Beppe in één ploeg gereden. Hij heeft me geleerd hoe je een wedstrijd moet rijden. Toen ik eenmaal prof werd, begreep ik dat het niet zo gemakkelijk was om een sprint te winnen. Toen ben ik Saronni pas echt gaan waarderen en later zijn we zelfs heel goede vrienden geworden.

“Toch was Moser meer mijn idool. Ik mocht zijn stijl van rijden, altijd aanvallen, altijd van voren, altijd de koers maken. Het was prachtig om Moser een wedstrijd te zien rijden, terwijl een ander slechts in het wiel rijdt en de sprint wint. Dat is toch veel minder spectaculair, dat roept geen emoties op.

“Maar het gaat te ver om mij te vergelijken met Moser. Hij was natuurlijk een veel grotere coureur. Moser reed het hele jaar goed en heeft bijna alles gewonnen wat er te winnen valt. Hij is een held in Italië. Vergeleken met hem ben ik een kleine jongen.”