Een pietje precies ziet zelfs vrouwen zwart-wit

Francois Guyon. Theater de Veste, Delft. 15, 17, 19, 21 (matinee), 22, 24, 29, 30/4 (matinee) en 5/5 (jeugdmatinee). Res. 015-2121312.

DELFT, 13 APRIL. “Waarom de man zo laten lijden? Hij heeft één man gedood en jullie laten hem duizend doden sterven.” Toen op 14 juli 1584 Balthazar Gerards, moordenaar van Willem van Oranje, op de markt in Delft een gruwelijke marteldood stierf, zou een vrouw uit het publiek deze woorden hebben geroepen. Nu klinken ze uit de mond van de mezzo-sopraan Maartje de Lint, op het podium van het Delftse theater De Veste. Daar gaat op 15 april de nieuwe Nederlandse opera Francois Guyon in première met koor en orkest van het Delfts studentenmuziekgezelschap Krashna Musika onder leiding van dirigent Daan Admiraal. De muziek is van Kees Olthuis, het libretto van Ruud van Megen. Voor de solistische rollen zijn professionele zangers aangetrokken.

De opera gaat over het leven van Balthazar Gerards (ca. 1562-84), een fanatiek katholiek rechtenstudent. Onder de schuilnaam François Guyon en als vermeend zoon van een omgebrachte hugenoot, had hij zich bij de prins aangediend en wachtte op een kans om deze te vermoorden. Hij werd deels aangelokt door de beloning die Philips II had uitgeloofd voor degene die Willem van Oranje om het leven zou brengen, maar hij handelde waarschijnlijk ook uit religieus fanatisme. Op dat laatste legt de opera de nadruk.

“Je zou het kunnen vergelijken met de moord op president Rabin door Yigal Amir”, zegt Van Megen. “Gerards deed het ook in de naam van god en in de overtuiging dat het goed was.” Voor Ruud van Megen (1959) die tot nu toe vooral voor toneel en tv werkte, is het zijn eerste opera-libretto. Om een bepaalde ritmiek in de teksten te brengen schreef hij, terwijl hij luisterde naar aria's van Puccini en Mozart. Van Megen putte vooral inspiratie uit het boek van N. Bosma, Balthasar Gerards. Moordenaar en martelaar. Dat gaf hem inzicht in de motieven van de moordenaar die, waarschijnlijk onder invloed van de politieke propaganda in die tijd, ervan overtuigd was geraakt dat calvinisten met wortel en tak uitgeroeid dienden te worden. Van Megen heeft de historie niet op de voet gevolgd. Zo weefde hij er een liefdesgeschiedenis in tussen Gerards, die wordt gezongen door Frans Fiselier, en Elise (Maartje de Wint). “Zij is hugenote en valt op hem en hij ook wel op haar. Maar ze vormt ook een potentieel gevaar voor Balthazar, omdat ze hem zou kunnen ontmaskeren. Dat brengt een extra spanningslijn in het verhaal. Aan het eind blijkt zij zich volstrekt in hem te hebben vergist. Elise is eigenlijk de meest tragische figuur in de opera.”

Regisseur Jean-Francois Boucher heeft Balthazar proberen neer te zetten als “een contactgestoord, neurotisch pietje precies, die de wereld zwart wit ziet. Ook de vrouwen. Hij wordt wel door Elise geprikkeld maar als hij eraan toegeeft kan hij wel kotsen.”

De opera bestaat uit twee aktes en duurt twee uur en 20 minuten. Het studentenkoor mag de beroemde laatste woorden van Willem van Oranje (Palle Fuhr Jorgensen) voor zijn rekening nemen: “Mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple.” De gruwelijke details van de terechtstelling krijgen de toeschouwers niet te zien. Ze worden bezongen door De Villiers (Willem-Jan van Deuveren) en Balthazar zelf: “De rechterhand wordt afgebrand door middel van gloeiende tangen. Dan worden met dezelfde hete tangen stukken vlees uit het lichaam gescheurd....dan zal hij levend in vier stukken worden gesneden van onderaf aan...”

Het hoofd van Gerards, die tijdens de martelingen overigens geen kik schijnt te hebben gegeven, werd naderhand achter het Prinsenhof op een staak gespiest. Het werd echter al snel ontvreemd en door de apostolische vicaris Sasbout Vosmeer meegenomen naar Keulen, waar het als relikwie werd bewaard. Vosmeer heeft nog lang geprobeerd Gerards zalig te laten verklaren, maar zonder resultaat.

De geschiedenis met het hoofd komt in de opera niet meer voor. “De opera gaat naar een hoogtepunt toe, waarop Balthazar over zijn terechtstelling zingt, terwijl je het hoofd op een paal ziet staan. Wat daarna gebeurt is een nieuw verhaal. Daarom zijn we hier gestopt,” zegt Kees Olthuis, fagottist bij het Koninklijk Concertgebouworkest en componist van onder meer de jeugdopera De naam van de maan op tekst van Annie M.G. Schmidt en de kameropera De Gans.

Omdat hij vrij laat met componeren kon beginnen - hij kreeg er een jaar de tijd voor - heeft hij de rollen bijna op de lijven van de zangers kunnen schrijven. “Voor Esther Been, die Louise de Coligny zingt, heb ik een extra aria ingelast, omdat ik het jammer vond dat ze maar weinig te horen was. Elke figuur heb ik een eigen thema gegeven. Bij Louise hoor je glissando in de strijkers en het ritme van de naam Balthazar komt voortdurend voor.”

Olthuis heeft plezier in het werken met de Delftse studenten, al heeft hij wel eens moeite met musici die drie kwartier na aanvang van de repetitie nog binnen komen sukkelen. “Maar ik geniet van de lol die iedereen heeft en van de sfeer. Je kunt beter met onervaren, enthousiaste amateurs werken dan met professionals die er geen zin in hebben.”

De opvoering van François Guyon is onderdeel van de manifestatie Delft 750 jaar Cultuurstad. Er zijn negen uitvoeringen. De premièredatum is niet toevallig gekozen: op 15 april is het precies 750 jaar geleden dat Delft stadsrechten kreeg.

Een opera uitvoeren stond al jaren op het wensenlijstje van Krashna Musika. Eerst werd gedacht aan een bestaande opera die iets met Delft te maken had. Toen dat onuitvoerbaar bleek, besloten de studenten drie jaar geleden er zelf een te laten schrijven, niet beseffend wat ze zich daarmee op de hals haalden. Maar met niet aflatend enthousiasme en overredingskracht, en met steun van de burgemeester, hebben zij zeven ton bij elkaar weten te sprokkelen bij een reeks sponsors en subsidiegevers, nadat eerst de stichting Delft 750 jaar voor een startsubsidie van 50.000 gulden had gezorgd. De gemeente Delft springt voor een ton bij.

Na een zoektocht langs componisten kwamen de studenten uiteindelijk bij Olthuis terecht. Een van de organisatoren: “De meesten begonnen te twijfelen als we zeiden dat we studenten waren, of ze wilden niet voor een symfonieorkest schrijven. Kees Olthuis was een van de weinigen die ons serieus nam.”