Bodemarchief

Theo Toebosch besprak in de boekenbijlage van 30 maart het boek van Theo Holleman Een verleden op de schop. Lezers zouden de indruk kunnen krijgen dat archeologen de verwoesters zijn van het bodemarchief, dat zij meer aandacht hebben voor opgraven dan beschermen en dat opgraven géén vorm van behoud is.

Dat er in Nederland jaarlijks meer terreinen opgegraven dan wettelijk beschermd worden, is een feit. Veel groter echter is het aantal terreinen dat we ook zonder wettelijke bescherming voor kortere of langere tijd kunnen behouden. Dit vooral omdat archeologen in de besluitvorming over ruimtelijke ordening achter elke denkbare procedure hun vinger proberen te krijgen, met als boodschap dat wij opgravingen willen voorkomen en het bodemarchief als bron van kennis voor latere generaties willen bewaren.

Het beschermingsbeleid van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) is lange tijd heel pragmatisch geweest. Het richtte zich primair op haalbaarheid: grafheuvels, hunebedden. Dit zijn ook voor de leek herkenbare monumenten, veilig gelegen in natuurgebieden. In agrarisch gebied of binnen een bouwlocatie is streven naar behoud in situ een moeizaam karwei.

Niet opgraven kan een blijvende belemmering zijn voor de woningbouw en in de landbouw. Planologen zien je aankomen als je over planaanpassing begint; ze moeten al met tientallen beperkingen rekening houden. Planaanpassingen moeten vaak met conserverende maatregelen gepaard gaan en die zijn duur.

Wat moet je dan als archeoloog met die akker met Merovingische graven? Wachten totdat de botten in de bouwvoor liggen of totdat schatgravers de vondsten geroofd hebben? In dat geval is een goed gedocumenteerde opgraving nog steeds de enige vorm van effectief behoud.

    • Henk Stoepker
    • Archeoloog bij de Rob