Blake

Geheim agenten spraken met hun 'contact' van de inlichtingendienst af op een plek waar ze gezien konden worden zonder de argwaan van anderen te wekken. Bij Saratov op de brug over de Wolga, op een drukke parkeerplaats in Wenen of op een plein in Parijs. In de spionageromans van John le Carré ontmoeten spy en spymaster elkaar soms in Hydepark, soms bij een ingang van de metro. De Britse spion George Blake kiest in zijn memoires No Other Choice (Jonathan Cape, London, 1990) een plein in Kijkduin als decor voor zijn eerste instructie-ontmoeting met zijn 'spymaster' van de KGB.

“Ik had met mijn 'contact' afgesproken op een plein aan het einde van de Laan van Meerdervoort, de langste laan in Den Haag, die bijna van het centrum naar de buitenwijken van de stad loopt.” De ontmoetingsplaats die Blake aanduidt moet het Deltaplein zijn geweest, aan het einde van de Machiel Vrijenhoeklaan; men mag er een Engelsman die dertig jaar na dato zijn memoires schrijft niet op aankijken dat hij de topografie van Den Haag niet precies in zijn hoofd heeft en zich een kilometer vergist. Op zichzelf is dat niet van belang, al gebeurt het niet elke dag dat een internationaal bekende spion de Laan van Meerdervoort voor zijn initiatie uitzoekt, maar ik sta er om een andere reden even bij stil. Blake en zijn 'contact', die elkaar nog nooit hadden ontmoet, hadden een beproefd middel bij zich waaraan ze elkaar zouden herkennen. “I parked the car some distance away and with the Nieuwe Rotterdamse Courant in my right hand, as arranged, I walked slowly to the square.” Ook bij een vorige ontmoeting met iemand die hij niet kende had George Blake de NRC als herkenningsmiddel gebruikt. Ik kom nog op Blake's relatie met Nederland terug, maar eerst iets over de aanleiding om over Blake te schrijven. Vorige week kwam hij out of the blue in het nieuws doordat hij het middelpunt werd van een nogal ongewone juridische actie van zijn vroegere werkgevers. De Britse Attorney General stelde bij de High Court een civiele vordering tegen de voormalige Britse geheim agent in, met het oogmerk de opbrengst van zijn memoires, die buiten bereik van Blake op een Londense bankrekening staat, voor de Britse staatskas in te pikken. De schrijver van No Other Choice, die nu 73 jaar is en sinds dertig jaar in Moskou woont, heeft nooit een penny van die opbrengst in handen gekregen. Een deel ervan is aan zijn twee zoons toegevallen en het restant (ruim 90.000 pond) is sinds 1990 'bevroren'. De Britse regering eist dat laatste deel op, niet op grond van Blake's verraad (want alles wat hij in zijn boek over de Engelse inlichtingendiensten schrijft, had hij al lang daarvoor aan zijn superieuren in het Kremlin doorgespeeld), maar op grond van schending van de vertrouwensplicht die hij als ambtenaar van de Britse inlichtingen- en veiligheidsdienst tegenover de Britse regering had.

Die argumentatie is niet bijster sterk, omdat het publiceren op zichzelf geen strafbaar feit oplevert en het boek geen staatsgeheimen prijsgeeft. In het licht van de voorgeschiedenis lijkt de actie van de Britse regering eerder door wraakzucht dan door rechtsoverwegingen te zijn ingegeven. Volgens de wet had Blake zich schuldig gemaakt aan landverraad en hij werd daarvoor zwaar gestraft. In plaats van de 12 jaar gevangenisstraf die hem was toegezegd, werd hij veroordeeld tot 42 jaar. Met de tevoren in geheim politiek beraad gemaakte afspraak van een lagere straf was iets mis gegaan. Premier Macmillan insisteerde dat hij ten minste 12 jaar zou krijgen, terwijl de bazen van de geheime dienst Blake het liefst onmiddellijk op een vliegtuig naar Moskou hadden gezet. Maar op de dag van de geheime strafzitting (waarvan het publiek maar een klein deel gewaar werd) schoot de openbare aanklager uit zijn slof en eiste in afwijking van de 'overeenkomst' drieënhalf maal het gangbare 'tarief', waarvoor hij ook de rechtbank meekreeg.

Blake had 42 in het Oostblok werkende Britse agenten aan de Sovjets verraden (dat was waarschijnlijk het verband met het vonnis van 42 jaar), maar de Attorney General produceerde geen enkel bewijs dat ze door zijn schuld om het leven waren gekomen. In de (geheime) aanklacht kwam het woord executie ook niet voor. In zijn memoires beweert Blake dat ze geen van allen zijn omgekomen maar, voorzover ze intussen niet door natuurlijke oorzaken zijn overleden, allemaal in Rusland wonen. In 1966 ontsnapte Blake uit de extra beveiligde gevangenis in Londen (vermoedelijk met de hulp van de KGB) en vluchtte naar de Sovjet-Unie, waarvoor hij al jaren een ideologische verering had. De journalist Philip Knightley, die de Engelse uitgave van Blake's memoires inleidde, sprak hem langdurig in Moskou en stelde tot zijn verbazing vast dat de voormalige Britse ambtenaar geen verbitterd man was. Volgens Knightley was er zelfs geen steekje aan hem los.

Die indruk krijgt men ook uit de memoires. Ze worden niet alleen gekenmerkt door een openhartige werkelijkheidszin en het besef dat hij niet hoeft te rekenen op het medelijden van zijn vroegere landgenoten, maar ook door een lucide stijl. George Blake geeft een mooie schildering van het vooroorlogse Rotterdam, zijn geboortestad waar zijn vader (een Turkse jood met de naam Behar, die een Nederlandse vrouw trouwde) een fabriekje in leren handschoenen had; hij parafraseert het grote gedicht over Rotterdam van Jan Prins De stad waar men is kind geweest en hij schetst in levendige streken zijn avontuurlijke leven in Londen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het liefst was hij als geheim agent boven het bezette Nederland gedropt, maar als Brits onderdaan werd hem dat niet toegestaan.

Eigenlijk is George Blake nooit de toegewijde, aan de staat loyale Engelsman geworden die ze in Londen van hem hadden willen maken, doordat hij zich nooit helemaal van zijn Nederlandse natuur heeft kunnen losmaken.