Zeg me, wanneer kom je terug

Vijftien jaar geleden. De lange gebogen kade van het Griekse eiland Aegina. De terrassen prezen in schelle kleur hun toeristenmenu's aan. Ik zat liever op het terras van het café onder het gemeentehuis, niet folkloristisch, niet romantisch, gewoon ouderwets. Je dronk er Griekse koffie of ouzo of limonade, je luisterde er naar luid praten en luid geeuwen. De eigenaar grijnsde bedrijvig met een mond vol gouden tanden. De kelner, een vroegoude man van vriendschap, was altijd dronken.

De eigenaar woonde even buiten het dorp, vlakbij Amerikaanse vrienden van mij. Op een avond zat zijn vrouw naar de televisie te kijken, kreeg een hartaanval, was dood. Toen mijn vriend ervan hoorde liep hij naar het huis, aarzelde, keerde om. Het was afgrijselijk, zei hij. De dochters waren bezig met een lange jammerklacht. Uit de buurt kwamen vrouwen naar het sterfbed en schreeuwden en zongen. Hij had er niets van verstaan.

Zij was er dus nog, de traditie die ik beter leerde kennen door het prachtige boek Mourning Songs of Greek Women. Translated with an Introduction by Konstantinos Lardas. Garland Publishing, Inc. New York & London, 1992. Wat zouden die vrouwen vijftien jaar geleden op Aegina gezongen hebben?

Elfhonderdtwintig teksten zonder troost. Na de dood gaat het leven verder, ellendig, in de spookwereld Hades waar Charon, de Dood, regeert. Het jongste kind van de café-eigenaar was een spichtig meisje van een jaar of veertien, met een grote bril, onijdel in blouse en rok, dat naar de middelbare school ging, Fanta dronk, ijsjes likte. Ik kon me niet voorstellen dat zij aan het doodsbed van haar moeder bijdroeg aan een rouwzang als deze:

Moeder, word een wolk, word een voorbijgaande nevel

word lichte regen

en druppel op de dakpannen

en als je zwart hoort huilen, ga terug

en als je luid hoort lachen, open de deur

open hem en kom binnen.

Zeg me, goede moeder, wanneer kom je terug

zodat ik het avondmaal voor je kan bereiden

zodat ik schone lakens op je bed kan leggen

zodat ik de kussens kan schikken

op de manier die je graag had.

En zij was kalm en antwoordde ernstig:

Als je het avondmaal bereidt moet je het zelf eten

als je mijn bed opmaakt moet je er zelf in slapen

want ik eet nu spinrag

ik eet nu enkel vuil.

Wie heeft ooit zo'n lied gezongen, waar en wanneer, en op welke melodie? Konstantinos Lardas raadpleegde bij het samenstellen van zijn magnum opus 173 boeken. Een in Amerika geboren Griek, dichter en wetenschappelijk docent, niet iemand die bergen in trok om uit het geheugen van oude vrouwen poëzie te putten. Hij vond zijn Griekse teksten in Amerikaanse en Atheense bibliotheken en poogde diep bewogen er Engelse gedichten van te maken. Ik dwaalde diepbewogen in die wereld van jammerklachten en fantasieën of ik er thuishoorde. Alleen wanneer het ging om gesneuvelde helden, kort en krachtig door moeder en vrouw beweend, kon ik me een situatie voorstellen, dankzij plaatjes en films, onecht. Bij het gedicht dat ik citeerde - er zijn meeslepend veel variaties van - stel ik me geen situatie voor waarin het werd gezongen.

Als Charon mij spaart wil ik voor een volgend stuk een gedicht van tragische levenswijsheid vertalen dat zulk gepieker niet doet opkomen. Maar eerst een lied waarin een dood meisje vanuit de Onderwereld haar moeder toezingt. Zou de familie van de moeder het hebben gedicht om haar te kalmeren?

Ik smeek je, smeek je, moeder

zing nooit meer je rouwzangen

voor mij

wanneer de zon ondergaat

want dat is het uur waarop

Charon en zijn gade

aan hun avondmaal zitten.

Ach, ik schonk hun wijn in

een kaars in mijn hand

en toen ik jouw stem hoorde

sloeg mijn hart wild om jou

de kruik brak

de kaars viel op de grond

en, o,o, een sprank van de vlam

snelde naar buiten, naar de doden

en verbrandde de gouden schatten

van de bruiden

de opschik voor de bruidegom

En Charon, zwart van woede

slingerde mij door de kamer

mijn mond was vol met bloed

mijn lippen met bittere gal.

    • Alfred Kossmann