Prof. v.d. Heijden: ontslagrecht snel versimpelen

DEN HAAG, 12 APRIL. Nederland heeft zijn ontslagrecht aan de Duitsers te danken. Het werd in 1945 bij noodwet geregeld: het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen. Sindsdien veranderden economie en maatschappij, maar niet het ontslagrecht. Er is sinds 1945 zelfs sprake van een dubbel ontslagrecht. Werkgevers kunnen een ontslagvergunning aanvragen bij het arbeidsbureau of voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst naar de rechter stappen. “Zo'n dubbel ontslagrecht is niet uit te leggen”, zegt professor Paul van der Heijden, die aan de Universiteit van Amsterdam Arbeidsrecht doseert. “Ze hebben het nergens ter wereld.”

Vanaf 1975 staat wijziging van het ontslagrecht met de regelmaat van de klok ter discussie. Voorjaar 1994 leek het er dan eindelijk van te komen. Toenmalig minister De Vries van Sociale Zaken en zijn collega Aad Kosto van Justitie stuurden een wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State. De Vries wilde één van de twee ontslagmogelijkheden (die via het arbeidsbureau) afschaffen. Het mocht niet zo zijn. Om aan te tonen dat nieuwe meesters anders regeren trok de opvolger van de Vries, de PvdA'er Ad Melkert, het wetsvoorstel in. Van der Heijden is een partijgenoot van Melkert, maar hij snapt er niks van: “De regeling komt voort uit de tijd na de bezetting, toen de overheid alles nog wilde bestieren. Sindsdien is er veel veranderd.”

Ook de sociale partners, die Melkert vorige week adviseerden over de flexibilisering van de arbeidsmarkt lieten de kans op verandering bewust voorbij gaan, op verzoek van de vakbeweging, die werknemers zoveel mogelijk zekerheden wil geven. Handhaving van het dubbele ontslagrecht stelt werknemers inderdaad in staat om flink tijd te rekken. Maar of het ook tot meer zekerheid leidt is zeer de vraag. Naarmate het ontslagrecht ingewikkelder en tijdrovender is, zullen werkgevers immers minder snel overgaan tot het vast in dienst nemen van personeel. Dat werd deze week aangetoond door een enquête die het financieel-economisch tijdschrift Rendement hield onder 150 directeuren van middelgrote ondernemingen.

Als het ontslagrecht en andere wettelijke barrières voor het aannemen van vast personeel worden versoepeld nemen een op de drie middelgrote bedrijven minder uitzendkrachten aan en meer vast personeel, zo luidt één van de resultaten. Ontslagrecht en flexibilisering zijn elkaars tegenpolen. Naarmate het ontslagrecht soepeler is, vervalt voor veel werkgevers de reden om mensen op tijdelijk contract of als uitzendkracht in te huren. In de Verenigde Staten is het aandeel van uitzendwerk in de totale arbeid relatief gering: 1,1 procent, tegen 1,8 procent in Nederland (cijfers van 1992). “Nederland gaat op kop bij de uitzendarbeid”, constateerde minister Melkert vorig jaar. Zou er een verband zijn met ons starre en ingewikkelde ontslagrecht?

Ondernemers zouden geen ondernemers zijn als ze geen uitweg vinden. Het viel hen begin jaren tachtig al op dat de weg langs het arbeidsbureau tamelijk tijdrovend was. Het duurde door de bank genomen 3 à 4 maanden voor een werkgever een ontslagvergunning had. Ontbinding door de rechter was binnen 6 weken geklaard. Dus werd de kantonrechter steeds populairder. Werd de gang naar de rechter in 1975 nog maar in zo'n 500 gevallen gemaakt, in 1995 ging het al om 45.000 ontbindingen in één jaar. Het aantal ontslagvergunningen door de arbeidsbureau's bedroeg dat jaar dubbel zoveel. “Werkgevers hebben de kantonrechter ontdekt als de figuur waar ze moeten zijn voor ontbinding van een arbeidscontract”, zegt Van der Heijden. De uitspraak van de rechter is bindend. Hoger beroep is niet mogelijk.

“Minister Melkert wil de hoofdweg via de arbeidsbureau's laten lopen”, zegt Van der Heijden. “Hij kan de arbeidsbureau's nu richtlijnen geven over het bevoordelen van oudere werknemers, gehandicapten, allochtonen, zieken en minderheidsgroeperingen. Als het ontslagrecht naar de civiele rechter wordt overgeheveld staat de minister buiten spel”.

In de Sociaal-Economische Raad stemden de grote werkgeversorganisaties in 1992 voor het voorstel van De Vries om de arbeidsbureau's af te schaffen. Ook vrijwel alle kroonleden stemden daarvoor. Alleen de vakbeweging en het midden- en kleinbedrijf (“vertegenwoordiger van de arme drogist op de hoek, die voor elk ontslag naar de rechter moet”) waren tegen. De Vries wilde een “kantonrechtersnorm” in de wet vastleggen, die bepaalt wat mensen die zonder rechtsgrond worden ontslagen minimaal aan schadevergoeding kunnen claimen. Als uitgangspunt voor onderhandelingen, want vaak moet er veel meer betaald worden.

De kantonrechtersnorm van De Vries gaf werknemers die ouder zijn dan 50 jaar, die niks aan hun ontslag kunnen doen en weinig uitzicht hebben op een andere baan, het recht op 2 maandsalarissen schadevergoeding voor elk dienstjaar. Ontslagen veertigers hebben recht op 1,5 maandsalaris vergoeding per dienstjaar en jongeren op één maandsalaris. Bedrijven die slecht lopen en moeten overgaan tot gedwongen ontslag krijgen zo een extra last te verwerken. Bij verwijtbaar disfunctioneren is geen vergoeding vereist. Daarvan moet dan wel tijdig een dossier worden aangelegd, bijvoorbeeld in de vorm van verslagen van functioneringsgesprekken. Iets wat veel werkgevers nogal eens vergeten, waardoor zij alsnog van de kantonrechter een fikse vergoeding aan de broek krijgen.

Voorlopig heeft minister Melkert de competentiestrijd met Justitie gewonnen. De nieuwe regels van De Vries zouden worden vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Dat is het terrein van het ministerie van Justitie en niet van Melkert. Volgens Van der Heijden gaat de strijd tussen Justitie en Sociale Zaken om beleidsmacht. Melkert heeft afgelopen week onverwacht de steun gekregen van de grootste werkgeversvereniging VNO-NCW, die eerst voor het voorstel van De Vries was. In het kader van het verbond met de vakbeweging over flexibilisering van de arbeidsmarkt zijn de werkgevers omgegaan. De totale ontslagtermijn is met in de meeste gevallen een maand verkort. En omdat Melkert te kennen heeft gegeven het flexakkoord tussen werkgevers en werknemers te accepteren, zal het dubbele ontslagrecht de komende jaren niet meer ter discussie staan.

Daarmee blijft een flinke ontslagbureaucratie intact. Werkgevers en vakbeweging hebben beide een vertegenwoordiger in de “kleine commissie”, die bij bezwaren van werknemerszijde het aangevraagde ontslag moet toetsen. Dat levert vakbonds- en werkgeversvertegenwoordigers een hoop werk (en inkomen) op, want het leeuwendeel van de werknemers zal alleen al om formele reden bezwaar tegen het ontslag aantekenen. Anders krijgen ze namelijk geen recht op WW. Van der Heijden vindt het allemaal “onnodig ingewikkeld”, zegt hij. “In 95 procent van de gevallen wordt de ontslagvergunning verleend. Dus waar zijn we nu eigenlijk mee bezig?”

Het dubbele ontslagrecht is volgens Van der Heijden een “advocatenparadijs”. Als de werknemer bij de toetsingscommissie van het arbeidsbureau zijn zin niet krijgt kan hij altijd nog een procedure wegens “kennelijk onredelijk ontslag” beginnen bij de rechter. Volgens Van der Heijden verdienen de vijf grote advocatenkantoren goudgeld aan het ontslagrecht. “Het is de sector met de hoogste omzet.” “Het kan stukken eenvoudiger door er een puur civielrechtelijk ontslag van te maken. Daarbij kun je ook een fatsoenlijke bescherming voor werknemers regelen”.

Toch zal het dubbele ontslagrecht op den duur verdwijnen omdat de weg langs het arbeidsbureau steeds minder gebruikt zal worden. De werkgevers kiezen steeds vaker voor de snellere gang langs de kantonrechter. Ook werknemers komen er achter dat daar schadevergoedingen zijn te halen. Het arbeidsbureau is daartoe niet bevoegd.

    • Frank van Empel