Neem een voorbeeld aan Paris; Schoonheid wint van informatie op de expositie Grieken in het westen

Eerst gingen Odysseus en Herakles, later trokken gewone Grieken naar het westen. In Venetië is nu een een grote expositie te zien over Griekse kolonies in Italië, die vaak nog rijker waren dan de steden in het moederland. “Het is alsof je terecht komt in een driedimensionaal handboek van de klassiek-Griekse kunst.”

De Grieken in het Westen ('I Greci in Occidente'). Palazzo Grassi, Venetië. T/m 8 dec. Dag. 9-19u. Catalogus: Engelse en Italiaanse teksten, uitg. Bompiani, 800 blz., 1600 illustraties waarvan 800 in kleur. Prijs ca. ƒ 60,-

In boek negen van de Odyssee vertelt Odysseus op verzoek van de koning der Faiaken over zijn avonturen sinds de val van Troje. Zijn verhalen over Kirke en Kalypso, menseneters en Lotofagen, heilige runderen en onderwereldfiguren houden het hof aan zijn lippen gekluisterd; maar de meeste indruk maken zijn belevenissen in de West. Hoe hij met een van zijn twaalf schepen terechtkwam op het eiland van de eenogige reuzen en ternauwernood ontsnapte aan de vraatzucht van Polyfemos. Hoe hij veilig langs de zingende vogelvrouwen wist te varen door zichzelf aan de mast te binden en bijenwas te gieten in de oren van zijn matrozen. Hoe hij zes van zijn vrienden verloor aan een veelkoppig zeemonster, toen hij met zijn schip juist een draaikolk had omzeild.

Odysseus' publiek zal - net als dat van zijn geestelijke vader Homerus - instemmend gegriezeld hebben. Tot ver in de achtste eeuw voor Christus gold het westelijk gedeelte van de Grote Zee als onbetrouwbaar; de gebieden die zij omspoelde waren even onherbergzaam als gevaarlijk. Langs de Zuiditaliaanse kust zongen de Sirenen, op de vulkaanhellingen van Sicilië woonden de Kyklopen, in de Straat van Messana lagen Skylla en Charybdis op de loer. Slechts bovenmenselijke helden konden een ontmoeting met deze monsters navertellen. Ontdekkingsreizigers als Odysseus of de halfgod Herakles, die als een van zijn Twaalf Werken niet alleen de ossen van een reuzenzoon in het Verre Westen roofde, maar ook aan weerszijden van de Straat van Gibraltar twee rotsen oprichtte: de Zuilen van Herakles, als bakens voor het einde van de bewoonde wereld.

Aan het begin van de kolossale tentoonstelling De Grieken in het Westen, na zeven jaar voorbereiding onlangs geopend in Palazzo Grassi in Venetië, zijn de twee pioniers van de westerse expansie te zien op aardewerk uit centraal Griekenland. Odysseus is in silhouet afgebeeld op een bolvormig Korinthisch kannetje uit de zesde eeuw; hij is vastgebonden aan de mast en wendt zijn gezicht naar een rots achter de boot waarop drie gevleugelde vrouwen ongetwijfeld betoverend zingen; zijn manschappen roeien onverstoorbaar door, ook al worden ze belaagd door twee monsterlijke vogels.

Herakles ligt naast Odysseus in de vitrine, op een Attische schaal. Hij heeft de vacht van de Nemeïsche leeuw over zijn hoofd en zijn onafscheidelijke knots in zijn hand. Zijn onderlichaam is niet te zien: hij zit in de gouden beker van de Zon, die hij mocht lenen voor zijn boottocht naar het Westen. In de golven die om de ketel heenklotsen zien we twee vissen en twee octopussen - zwarte figuurtjes op een verder roodfigurige schaal.

Metropolis

In het sprookjesachtige gebied dat in het heldentijdperk door Odysseus en Herakles was verkend, vestigden zich omstreeks 750 voor Christus de eerste gewone Grieken. Nieuwe zeil- en roeitechnieken hadden lange zeereizen vergemakkelijkt; explosieve bevolkingsgroei in het moederland maakte emigratie voor de burgers van de Griekse stadstaten aantrekkelijk. In minder dan een eeuw werden in Zuid-Italië en Sicilië tientallen nederzettingen gesticht. Apoikiai werden ze genoemd, misleidend vertaald met kolonies: de nieuwe steden waren politiek en economisch geheel onafhankelijk en hadden hoogstens een emotionele band met hun metropolis (moeder-stad).

Kyme, gelegen boven wat later de Golf van Napels zou heten, was de eerste van deze Griekse kolonies. Het succesvolle kustplaatsje, dat op zijn beurt de dependances Dikaiarchia (Pozzuoli) en Neapolis ('de nieuwe stad') stichtte, had grote invloed op de Italische stammen in het achterland, en daarmee op de Romeinse cultuur. Van de Kymeërs leerden de Italiërs het alfabet en namen zij antropomorfe goden als Herakles en Apollo over. Aan het Kymeïsche ontwikkelingswerk dankt West-Europa de kennismaking met de Griekse kunst, wetenschap en filosofie, die vanaf de derde eeuw voor Christus door de Romeinen verbreid zouden worden. Als Kyme er niet geweest was zouden wij zelfs helemaal niet praten over 'Grieken': de bewoners van Kyme werden door hun Latijnssprekende relaties Graeci genoemd, naar de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen: de streek Graia op het eiland Euboia.

Hoe invloedrijk Kyme ook geweest is, in de zalen van Palazzo Grassi ligt de nadruk op de veel bekendere kolonies die in Zuid-Italië en Sicilië werden gesticht. Van de honderden tentoongestelde voorwerpen - munten, sieraden, helmen, vazen, beelden, reliëfs, schilderingen - is het merendeel afkomstig uit Syrakousai, Acragas (Agrigento), Posidonia (Paestum) en Taras (Tarente), steden die om hun tempels en andere spectaculaire Grieks-Romeinse resten tot de verbeelding spreken van iedere Italiëganger.

Een gunstig klimaat, vruchtbare grond (perfect voor de uit Griekenland meegebrachte wijnstok en olijfboom), goede relaties met de inheemse stammen en een bloeiende handel gaven de kolonies in Magna Graecia, 'Groot-Griekenland', een welvaart die tot de Gouden Eeuw van Athene in de Griekse wereld ongekend was. Grote bouwwerken werden opgericht, het goud en zilver voor dure sieraden was nauwelijks aan te slepen, luxeartikelen als parfum, sieraardewerk, bloemen en exotische etenswaren werden in grote hoeveelheden geïmporteerd. Vooral Sybaris, een strategisch tegen de bal van de voet van Italië gelegen kolonie, bereikte een rijkdom en verfijning die aan decadentie grensde. Hoewel de stad al in 510 voor Christus door een concurrerende kolonie met de grond gelijk werd gemaakt, zou haar naam spreekwoordelijk worden. In de Oudheid was een sybariet een genotzoeker; tweeduizend jaar later is het woord voor Van Dale nog steeds een synoniem voor 'wellusteling' of 'verwijfde'.

Bestolen vrek

Als de samenstellers van De Grieken in het Westen ergens in geslaagd zijn, dan is het om een overdonderende indruk te geven van de cultuurrijkdom van Magna Graecia. Alle grote musea van (Zuid-)Italië en Sicilië werden geplunderd, en de bezoekers zullen daar tot het eind van dit jaar tegen hinderlijke lege plekken aankijken. Bij alle overvloed werden ook buitenlandse musea nog om bruiklenen gevraagd. Zo leverde het Berlijnse Staatsmuseum een mengvaas uit Paestum met een scène uit een komedie over een bestolen vrek (een verre voorloper van Hoofts Warenar). Uit Wenen komt een beroemde bronzen plaquette uit 186 voor Christus waarop de Senaat van Rome zijn onderdanen in heel Italië verbood om deel te nemen aan de uit Griekenland geïmporteerde Bacchanaliën. En zelfs uit Leiden is er een bijdrage: een schattig rond doosje van klei en gips dat me in het Rijksmuseum van Oudheden nooit was opgevallen, maar dat een vrolijk erotisch triootje in polychroom beschilderd reliëf op het deksel heeft.

Het enige dat Palazzo Grassi vanzelfsprekend niet 'live' onder haar dak kon brengen, was de architectuur van de westerse Grieken. Maar de huizen, tempels en theaters van Segesta, Selinous, Katana, Syrakoesai en vele andere steden zijn wel te zien: op grote foto's die samen met plattegronden en technische uitleg over de constructie en de gebruikte materialen zijn gereproduceerd op een 80 centimeter hoge 'informatiefries' die over de muren van alle dertig zalen loopt.

De fanatieke bezoeker die alle teksten en tekeningen verstouwt, komt niet alleen te weten hoe je stap voor stap een tempel bouwt, maar bijvoorbeeld ook wat de kenmerken waren van de 'koloniale stijl' in de Dorische tempelarchitectuur, waarvan de Tempel van Hera (de 'Basilica') in Paestum het beroemdste voorbeeld is: dure materialen, uitgebreide versiering, monumentale galerijen met dikke, dicht op elkaar staande zuilen.

De tweedimensionale fries in de tentoonstellingszalen ondervindt natuurlijk moordende concurrentie van de kunstwerken in de vitrines. Voor de liefhebber van de antieke cultuur is het alsof je terecht bent gekomen in een driedimensionaal handboek van de klassiek-Griekse kunst. Daar, achter dat schot, hangt het kalkstenen grafdeksel met de 'Duiker van Paestum', dat in het echt veel serener en witter is dan op de reprodukties. Hier, tussen twee archaïsche koppen, staat het overbekende stuk tempelfries waarop Europa wordt weggevoerd door Zeus in de gedaante van een stier. En is dat niet de beroemde 'vaas met de tonijnverkoper' die je altijd tegenkomt in boekjes over het dagelijks leven van de oude Grieken? Nooit geweten dat al die paradepaardjes van de kunstgeschiedenis afkomstig waren uit Magna Graecia.

Buurman

De culturele prestaties van de Grieken in het Westen mogen dan indrukwekkend zijn, hun politieke geschiedenis is minder spectaculair. De belangrijkste reden daarvoor is dat de verschillende poleis, stadstaten, nooit een eenheid vormden. Net als in het moederland, waar onderlinge rivaliteit de toon aangaf, was 'de vijand van je buurman je vriend'; alleen in geval van een externe, niet-Griekse dreiging voelden de nederzettingen zich gedwongen om samen te werken. Maar anders dan Athene en Sparta, die er in slaagden om aan het hoofd van een brede alliantie de Perzen uit centraal-Griekenland te houden, leden de gelegenheidscoalities van Magna Graecia nederlagen op cruciale momenten.

Al omstreeks 550, toen de koloniseringsgolf was weggeëbd, werd er bij Corsica een belangrijke zeeslag verloren van een gecombineerde vloot van Etrusken, die de macht hadden in Noord-Italië, en Carthagers, die op Sicilië een groot aantal kolonies hadden gesticht. Op het wereldtoneel speelden de westelijke Grieken daarna een bescheiden rol, al zullen generaties gymnasiasten zich het ijzingwekkende verslag herinneren dat de geschiedschrijver Thucydides gaf van de desastreus verlopen Atheense strafexpeditie tegen Syracuse, dat in de Peloponnesische oorlog tegenover Athene stond. Uiteindelijk werden de Griekse steden in Zuid-Italië omstreeks 300 voor Christus door de Romeinen veroverd, en was de enige invloed van Magna Graecia nog cultureel. Zoals Horatius later zou dichten: 'Graecia capta ferum victorem cepit et artis intulit agresti Latio - het overwonnen Griekenland veroverde zijn onbeschaafde overwinnaar en bracht de kunsten naar het boerse Latium.'

Over die culturele invloed kom je in Palazzo Grassi weinig te weten, ook al beweren de organisatoren van de tentoonstelling dat het hen vooral te doen was om de erfenis die de westerse Grieken Europa hebben nagelaten; zoals ze eerder in monsterexposities het erflaterschap van de Phoeniciërs (1988) en de Kelten (1991) hadden geïllustreerd.

Tevergeefs zul je op De Grieken in het Westen zoeken naar informatie over de Siciliaanse dichter Theokritos, die geldt als de grondlegger van de pastorale poëzie, of over de wetenschappelijke prestaties van Archimedes, die volgens het verhaal bij de inname van Syracuse in 212 door een plunderaar werd vermoord omdat hij hem verweet zijn berekeningen in de war te schoppen. Nergens wordt een duidelijk overzicht gegeven van de uitzonderlijke bloei van de filosofie in de laarspunt van Italië (Pythagoras, Parmenides, Empedokles); en Plato's avonturen op Sicilië - hij werd door een politicus uit Syracuse gevraagd om daar zijn staatstheorieën in praktijk te brengen - krijgen geen vermelding.

Emmaüsgangers

Niet dat er op de tentoonstelling gebrek is aan informatie. Integendeel, de tekstborden zijn uitputtend. Een goed voorbeeld van de verstikkende wildgroei van non-informatie op De Grieken in het Westen is de zaal die is gereserveerd voor twee beroemde marmeren sculpturen: de zogeheten Ludovisi-troon (460-450) met een afbeelding van de geboorte van Afrodite, en de stilistisch zeer vergelijkbare 'Bostontroon', waarop een gevleugelde Eros te zien is met een weegschaal in zijn hand. De twee reliëfs, die nog het meest weghebben van half-open graftombes, zijn omringd door plakkaten met citaten van wetenschappers uit de afgelopen eeuw. Wie de teksten systematisch leest, begrijpt dat de Boston-troon sinds hij eind vorige eeuw niet lang na de vondst van de Ludovisi-troon bij een antiquair opdook, onderwerp is geweest van een heftige controverse, en tegenwoordig zelfs doorgaat voor een briljante vervalsing. Het is een fascinerend verhaal, een soort Emmaüsgangers-zaak binnen de Griekse kunstgeschiedenis. Maar de meeste van de details die de tentoonstellingsmakers meenden te moeten geven, wil je niet eens weten. Net als in de bijbehorende catalogus, een schitterend geïllustreerd maar loodzwaar overzicht van de stand der archeologie, is geen maat gehouden. Hoe hopeloos on-Grieks.

Eigenlijk ben je als eenmalige bezoeker van De Grieken in het Westen niet goed wijs als je je ogen bederft met het lezen van de extreem gedetailleerde informatie, die ook nog eens in slecht contrasterende lettertjes op een gekleurde achtergrond wordt aangeboden. Er is in de dertig zalen van Palazzo Grassi te veel moois te zien om tijd te verspillen. De bronzen ram uit de derde eeuw bijvoorbeeld, even levensgroot als levensecht, in wiens groenwitte krullen het licht zachtjes weerspiegelt. Of de verguld-bronzen oogstkroon, met zijn sierlijke vruchtjes en sprinkhanen, waarvoor ik al het goud der Thraciërs zo zou inruilen. Of de schijnbaar rommelige vitrine met eenvoudige potjes en pannetjes uit een zesde-eeuws graf, waarin plotseling een verbluffende zwartfigurige vaas met een Paris-oordeel opduikt.

De trouweloze playboy Paris, die de beloftes van Hera en Pallas Athene versmaadde en de gouden appel toekende aan Afrodite, is een lichtend voorbeeld voor de bezoeker van De Grieken in het Westen. Net als de Trojaanse koningszoon moet hij kiezen voor schoonheid. Al het andere - de ambitieuze motieven van de tentoonstellingsmakers, de specialistische wijsheid van de informatiefries - is bijzaak. In Palazzo Grassi draait het om de serene kleuren in het Graf van de Duiker; om de fijn-gebeeldhouwde gewaden waarmee Afrodite na haar geboorte wordt bedekt; om de kleine glimlichten in de vacht van een bronzen schaap.

    • Pieter Steinz