Liberia: Westen wil 'Out of Africa'

Even leek het deze week in de Westafrikaanse staat Liberia alsof de tijden van 'Somalië' terug waren. Eenheden van het Amerikaanse leger begonnen aan de evacuatie van buitenlanders uit het land, juist zoals ze dat in 1994 aan het einde van de internationale interventie (onder de vlag van de Verenigde Naties) in Somalië hadden gedaan. Het vertrek van de buitenlanders ging gepaard met een oplaaien van de gevechten tussen plaatselijke krijgsheren, juist zoals dat in Somalië het geval was na het vertrek van de Amerikaanse (en andere) VN-militairen.

Toch zijn er meer verschillen tussen Liberia en Somalië dan overeenkomsten. De Amerikaanse interventie in Somalië was mede een gevolg van het optimisme dat er aan het einde van de Koude Oorlog over de toekomst van Afrika heerste. Ten tijde van de rivaliteit tussen de twee toenmalige grootmachten leken conflicten in Afrika bijna onoplosbaar. Als een van de partijen in het conflict steun kreeg van de Verenigde Staten, kon de andere al vrij snel bijstand uit Moskou tegemoet zien. Ten tijde van de hongersnood in Somalië (waarvan de beelden live op de Amerikaanse televisie werden getoond en het publiek ervan overtuigden dat het Westen iets moest doen) was die patstelling voorbij en leek het mogelijk conflicten in Afrika via internationale interventie te beheersen.

Het verloop van de Amerikaanse inmenging in Somalië was echter zo desastreus dat zelfs de meeste beleidsmakers in het Westen hun verwachtingen over bemoeienis van buitenaf al snel naar beneden bijstelden. De Amerikanen werden al snel van buitenstaander tot participant in het binnenlandse conflict: zij begonnen een ware klopjacht op de voornaamste Somalische krijgsheer, generaal Aideed. Televisiebeelden van de lijken van twee gedode Amerikaanse soldaten, die door Somaliërs in een zegetocht door Mogadishu werden getrokken, zorgden voor zo'n verontwaardiging in de VS dat het lot van de interventie al snel was bezegeld.

Dit pessimisme werd na april 1994 versterkt door de genocide in Rwanda. De massale slachtpartijen onder Tutsi's en gematigde Hutu's versterkten de opvatting bij Westerse beleidsmakers dat etnische conflicten in Afrika, die veelal honderden jaren in de geschiedenis teruggaan, onoplosbaar zijn en dat afzijdigheid de juiste houding is.

In tegenstelling tot Somalië is het conflict in Liberia door de internationale gemeenschap nooit als een test-case beschouwd. Tijdens de Koude Oorlog kenden de VS nog een zekere strategische waarde toe aan het land op de uiterste westelijke punt van het Afrikaanse continent, maar toen die periode was afgesloten, was ook die interesse snel geweken.

Het Westen, ontgoocheld door de mislukking van de interventie in Somalië, heeft nooit geprobeerd hier de vrede van buitenaf op te leggen. Er is sinds 1990 wel een vredesmacht in Liberia, maar deze is opgebouwd uit soldaten uit een aantal Westafrikaanse buurstaten. Erg effectief is die vredesmacht overigens niet. Dat komt ten dele door de gebrekkige financiële middelen die de internationale gemeenschap aan de macht ter beschikking heeft willen stellen. Daarnaast gebruiken Liberia's buurlanden de macht toch vooral voor hun eigen politieke doeleinden. Zo gebruikte de huidige 'sterke man' van Nigeria, Sani Abacha, de betrokkenheid van zijn land bij de vorming van de vredesmacht om een elitekorps van het Nigeriaanse leger dat trouw was aan een van zijn voorgangers, naar de Liberiaanse bush te sturen.

De reactie tot nog toe op de huidige gebeurtenissen in Liberia geeft wel aan dat de houding van de internationale gemeenschap ten opzichte van conflicten in Afrika afwijzend blijft. De eerste prioriteit lijkt de evacuatie van buitenlanders te zijn. Oproepen om een einde te maken aan de anarchie in het land worden niet of nauwelijks gehoord. In die zin lijkt Liberia inmiddels wel op Somalië. Als de Liberiaanse krijgsheren er niet in slagen hun conflicten zelf op te lossen, laat de internationale gemeenschap het land aan zijn lot over, juist zoals dat met Somalië is gebeurd.