Kamer ratificeert Energie Handvest

DEN HAAG, 12 APRIL. De Tweede Kamer heeft unaniem een wetsvoorstel aanvaard voor de ratificatie van het verdrag tot invoering van het Energie Handvest (plan-Lubbers). Dit Handvest beoogt investeringen door Westerse ondernemingen in de Oost-Europese energiesector te stimuleren en bescherming te bieden.

In 1990 presenteerde de toenmalige premier Lubbers tijdens een topconferentie van de Europese Unie zijn plan voor samenwerking op energiegebied met de Midden- en Oost-Europese landen. De belangrijkste doeleinden van het plan waren het bevorderen van de winning van olie, gas en kolen in Oost-Europa om deze landen aan extra deviezeninkomsten te helpen en het Westen aan langlopende importcontracten.

Daardoor zou het Westen voor zijn energievoorziening ook minder afhankelijk worden van het Midden-Oosten en dus minder kwetsbaar voor mogelijke interrupties van de olie-export uit die regio.

Een van de belangrijkste instrumenten daarbij is bescherming van investeringen door Westerse ondernemingen tegen politieke willekeur en een internationale regeling voor arbitrage in geschillen en eventuele schadevergoeding. Lubbers beoogde tevens een betere bescherming van het milieu in Oost-Europa en een beveiliging van de Oost-Europese kerncentrales naar Westerse maatstaven.

Al deze aspecten zijn in een verdrag en bijbehorende protocollen vastgelegd, waarover drie jaar tussen vijftig landen is onderhandeld onder leiding van de Nederlandse diplomaat mr. Charles Rutten.

Minister Wijers (Economische Zaken) noemde het verdrag deze week “een goede stap voorwaarts”. “Het woord is nu aan de betrokken landen in Oost-Europa en aan het bedrijfsleven. Daarvan zal het elan in hoge mate moeten komen”, aldus de minister.

Het verdrag behandelt tot dusverre alleen bestaande investeringen, maar een nieuwe ronde van onderhandelingen is onder leiding van Rutten geopend om in een aanvullend verdrag ook nieuwe investeringen bescherming te bieden, waarbij landen geen onderscheid mogen maken tussen de voorwaarden die voor nationale en voor buitenlandse ondernemingen zullen gelden. Noorwegen heeft op dit punt een voorbehoud gemaakt bij het eerste verdrag, om zo mogelijk het eigen bedrijfsleven een voorkeursrecht bij energieprojecten in Noorwegen te geven.

Nederland is het daarmee oneens, aldus Wijers.