Hoe heet de vrouw van Jeff Koons?; Twee naslagwerken over beeldende kunst

Edward Lucie-Smith: KunstNu. Uitg. Thoth, 512 blz. Prijs ƒ 125,-.

Mieke Mekkink, René Pingen, Els van Strien: Kunst van Nu. Encyclopedisch overzicht vanaf 1970. Uitg. Primavera Pers, 336 blz. Prijs ƒ 54,50.

Wie de afgelopen jaren iets wilde opzoeken over moderne beeldende kunst raakte al snel in de problemen. Het geboortejaar van Richard Deacon, een beknopt overzicht van de activiteiten van Louise Bourgeois, de naam van de echtgenote van Jeff Koons - wie er uitsluitsel over wilde hebben was gedoemd tot een dwaaltocht door tentoonstellingscatalogi. Dat kwam voornamelijk doordat de laatste overzichtelijke Nederlandse publikatie op dit gebied stamde uit 1971: het boek Kunst van Nu, samengesteld door onder anderen Carel Blotkamp en Frans Haks. Een nieuw, overzichtsboek van de allermodernste beeldende kunst was zo langzamerhand bijzonder welkom.

Na die jarenlange leemte verschenen de afgelopen maanden plotseling twee overzichtsboeken. Het eerste, KunstNu, van de Engelse criticus Edward Lucie-Smith (onder meer bekend van zijn Art Today uit 1977), geeft een verhalende opsomming van de kunst na de Tweede Wereldoorlog, ingedeeld in 18 hoofdstukken, die in onderwerp variëren van 'Neo-dada, arte povera en installaties' tot 'Feministische en homokunst'. Het tweede, Kunst van Nu, een opvolger van de uitgave uit 1971, een 'encyclopedisch overzicht sinds 1970, dat werd samengesteld door drie Nederlandse kunsthistorici. In tegenstelling tot het werk van Lucie-Smith is Kunst van Nu geen overzichtsboek, maar een naslagwerk met meer dan zeshonderd lemma's.

Zowel Kunst van Nu als het boek van Lucie-Smith voldoen redelijk aan het doel dat ze zichzelf hebben gesteld: een overzicht geven van de stand van zaken in 'de' moderne kunst. Kunst van Nu richt zich daarbij op de vakwereld, en de canon, zoals die wordt bepaald in grote musea voor moderne kunst als het Stedelijk Museum in Amsterdam en in tijdschriften als Flash Art, Artforum en Kunstforum International. In die sector is Kunst van Nu een uitstekend opzoekboek. Bijna alle moderne kunstenaars van belang staan er in - van Joseph Beuys en Andy Warhol tot Gérald van der Kaap en Edwin Janssen en de meeste belangrijke stromingen van de afgelopen decennia worden er adequaat in samengevat. De carrière's van de verschillende kunstenaars worden kort beschreven en ze worden in hun context en tijd geplaatst. Daarbij ligt de nadruk op het werk en niet op het persoonlijk leven, al wordt bijvoorbeeld de aanslag op kunstenaar Rob Scholte niet onvermeld gelaten.

Grote omissies kon ik in Kunst van Nu niet ontdekken, al is het inherent aan een dergelijke uitgave dat die op het moment van verschijnen alweer is achterhaald. Zo is het veelzeggend dat van de veertien kunstenaars die deelnamen aan Wild Walls, de 'overzichtstentoonstelling van jonge kunst' vorig jaar in het Stedelijk Museum in Amsterdam, er precies één, Aernout Mik, in Kunst van Nu wordt vermeldt.

De doelgroep die Edward Lucie-Smith wil bereiken is groter. Zijn boek begint met de 'moderne klassieke kunstenaars', maar stapt al snel over op stromingen waar in Kunst van Nu nauwelijks aandacht aan wordt besteedt. Zo trekt Lucie-Smith een heel hoofdstuk uit voor 'Realisme in Amerika', met mij onbekende kunstenaars als April Gornik, James Valerio en Steve Hawley. Dat Lucie-Smith zelfs met een zekere wellust van die gebaande paden afwijkt blijkt uit zijn opmerking over de Amerikaanse kunstenares Sherrie Levine, bekend door het her-fotograferen van werk van andere kunstenaars: “Men kan zich in alle redelijkheid afvragen waarom Sherrie Levine is geaccepteerd als een kunstenaar tout court.”

Het grootste voordeel van de aanpak van Lucie-Smith is dat hij zijn lezer uitgebreid confronteert met niet-westerse kunst. Waar Kunst van Nu nauwelijks verder komt dan de eeuwige Chéri Samba, besteedt Lucie-Smith in totaal maar liefst vijf hoofdstukken aan kunst uit onder meer het Verre Oosten, Latijns Amerika en Afrika. Het aardige aan die hoofdstukken is ook dat kunstenaars die een plaats hebben gevonden binnen het Westerse kunstleven (zoals de Japanner Yukinori Yanagi, de Koreaan Nam June Paik en de Chinees Gu Wenda) door Lucie-Smith in hun eigen culturele context worden geplaatst, wat hun werk een intrigerende meerwaarde verleent.

De enige, nogal merkwaardige lacunes in zowel KunstNu als Kunst van Nu zijn fotografie en, in mindere mate, video-kunst. De zogenaamde 'Becher-Schüle', een fotografische school die grote invloed heeft gehad op de kunst van het afgelopen decennium, ontbreekt bij Lucie-Smith bijvoorbeeld volledig. Wie daarvoor vervolgens echter op zoek gaat in Kunst van Nu komt nog steeds van een koude kermis thuis. Bernd en Hilla Becher worden weliswaar vermeldt, net als hun leerlingen Thomas Struth en Thomas Ruff, maar Andreas Gursky, wat mij betreft een van de beste fotografen van dit moment, krijgt geen eigen lemma, net als andere 'Becher-Schüler' als Candida Höfer en Axel Hütte. Hoe progressief Kunst van Nu ook wil zijn, fotografie en video behoren voor de samenstellers blijkbaar nog steeds tot hetzelfde schemergebied als twintig jaar geleden.