'Het spijt me'; Op Peiling 5 wil kunst geen kunst zijn

Op de vijfde editie van 'Peiling', een jaarlijks terugkerende, exclusief aan de jongste generatie beeldend kunstenaars gewijde tentoonstelling, keert het gros van de deelnemers zich tegen de traditionele kunst en haar esthetica. Tegelijk ontkomt vrijwel niemand eraan daar volkomen van afhankelijk te blijven. Alleen een enkeling weet zich te ontworstelen aan deze identiteitscrisis.

Peiling 5. Met: Tariq Alvi, Maddy Arkesteyn, Bik Fillingham Van der Pol, Elsbeth Dijkstra, Jeroen Eisinga, Alicia Framis, Voebe de Gruyter, Mathilde ter Heijne, Job Koelewijn en Antonietta Peeters. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 27 mei. Catalogus f 25,-.

Nadat je het op één na laatste beeld van de tentoonstelling hebt gezien, leg je de juten mat op de vloer, leest de tekst die naast de bak staat ('De directie van het museum is niet aansprakelijk voor enige schade voortvloeiende uit het gebruik van de glijbaan') en gaat zitten. Uit het trapgat word je aangestaard door een paar jaloerse kleuters, hun ouders en door de man met de pen en het papier, die even daarvoor nog iedere naad in de glijbaan zorgvuldig bestudeerde - hij kijkt bezorgd. Je wiebelt jezelf in de goede positie, zet af en glijdt; aanvankelijk langzaam, maar sneller vanaf het moment dat je verder achterover helt en minder contact met het metaal maakt. Even heb je de sensatie van snelheid, je grinnikt naar de kleuters, maar dan raken je voeten de blauwe valmat alweer. Verdwaasd zit je daar, in de hal van het Stedelijk Museum van Amsterdam, wat naar links en rechts te turen - en ineens denk je aan Gilbert & George.

Bijna drie decennia geleden stond het Engels-Zwitserse duo daar, twee meter van de plaats waar jij nu zit, stokstijf en met kopergeel geverfde gezichten hun Living Sculptures uit te beelden - twee mensen die deden of ze beelden waren. En plotseling vraag je je af waarom ze zich eigenlijk zo prominent hebben laten fotograferen op de trappen van het Stedelijk. Waarom voerden ze hun act niet gewoon op in een van de zalen? Je kijkt omhoog, naar Emergency Architecture van Alicia Framis, waar je zojuist van bent afgegleden, en je realiseert je dat de performance van Gilbert & George niet iets wilde zeggen over de wijze waarop mensen beelden kunnen zijn of omgekeerd, maar over de manier waarop het publiek met zulke beelden omgaat. Door op die ongebruikelijke trap te gaan staan, maakte het duo duidelijk dat de ontmaskering de crux van hun optreden vormde - als geen enkele bezoeker de Living Sculptures had doorzien, was het project een mislukking geweest. Je kijkt nog eens om je heen en je beseft dat je geen idee hebt waarom je van die glijbaan bent afgegaan.

Peiling 5, de jaarlijkse tentoonstelling van jonge kunstenaars die dit keer in het Amsterdamse Stedelijk wordt gehouden, is een bijzonder moderne tentoonstelling. Het moderne van dit jaar is dan ook heel anders dan dat van vorig jaar, toen het Groninger Museum van Frans Haks de expositie organiseerde. De moderne kunst van Haks was glamour-achtige fotografie met knallende kleuren en bionische supermodellen, gemaakt door fotografen als Inez van Lamsweerde, Carli Hermès en Mej. Tollens. Dit jaar, in het Stedelijk, is modern precies het tegenovergestelde: op Peiling 5 wordt alleen maar kunst geëxposeerd die als doel lijkt te hebben te ontkennen dat ze beeldende kunst ìs.

Jongeman

Neem bijvoorbeeld de tweede zaal van de tentoonstelling. Daar heeft het kunstenaarstrio Bik Fillingham Van der Pol met wanden van gipsplaat een keuken gebouwd. Een doodgewone keuken, met een kratje Heineken naast het aanrecht en een fles afwasmiddel naast de gootsteen. Er hangen handdoeken en theedoeken, er staan een koelkast, wat kopjes, pannen en een tafel. Verder is er niets bijzonders te zien, behalve dat aan de tafel een Engelse jongeman zit die bijzonder vriendelijk is, en die vertelt dat hij is gehuurd om daar de hele tentoonstellingsduur te zitten. En dat doet hij dus; hij kookt z'n potje, zet koffie, doet de afwas en vormt ondertussen een levend decorstuk.

De installatie van Bik Fillingham Van der Pol is daarmee een volmaakt voorbeeld van de modernste moderniteit die deze aflevering van Peiling wil laten zien: de kern daarvan bestaat uit 'interesse in het procesmatige en onvoltooide', zoals de catalogus het noemt. In de praktijk blijkt die omschrijving verschillende dingen te betekenen: dat het kunstwerk nooit af is bijvoorbeeld, of dat er tijdens de expositie nog aan gewerkt wordt. Maar het kan ook betekenen dat het kunst is die nadrukkelijk wil breken met de traditie dat beeldende kunst stilstaat, wat het onderscheidt van toneel of film. Het procesmatige aan de keuken van Bik Fillingham Van der Pol is bijvoorbeeld de vriendelijke jongeman die erin zit. Omdat hij en zijn handelingen telkens veranderen is het kunstwerk nooit 'af' en kan de toeschouwer het werk nimmer in 'voltooide staat' aanschouwen - plotseling doet die keuken verdacht veel aan theater denken.

De interesse voor het bewegende en onaffe zorgt op Peiling voor wel meer uitstapjes in de richting van andere kunsten. Maar liefst zes van de tien deelnemers vertonen filmpjes; twee deelnemers hebben levende mensen in hun installaties aan het werk gezet. Maar ook voor het overige is veel van het getoonde werk bijzonder druk bezig met doen alsof het géén traditionele beeldende kunst is. Antonietta Peeters bijvoorbeeld, heeft haar zaal vol gelegd en gehangen met lappen, soms zwart, soms wit en soms veelkleurig, soms gehaakt en soms geknoopt - de meeste doen sterk denken aan uit hun krachten gegroeide pannenlappen. Tariq Alvi exposeert een reeks prikborden waarop met spelden uit tijdschriften geknipte plaatjes van honden en naakte mannen (bij voorkeur met erectie) zijn geprikt. Maddy Arkesteyn bouwde een installatie met wat zich in het dagelijks leven het beste als 'rotzooi' laat omschrijven: oude deuren, verschillende soorten gaas, stukken gescheurd karton, zand, een single van UB 40, een netje met drie sinaasappels en een oude televisie.

Het probleem met deze werken, in het bijzonder dat van Alvi en Bik etc. is, dat ze, hoewel ze zich keren tegen de traditionele kunst en haar esthetica, tegelijk volledig van die kunst en van het museum afhankelijk blijven. Als sommige van de vertoonde filmpjes niet in een museum getoond zouden worden, zou het publiek ze bekijken als journalistiek (de interviews van Alicia Framis) of gewoon als cinema (de filmpjes van bijvoorbeeld Tariq Alvi) en dan zouden ze saai, respectievelijk knullig zijn. De keuken van Bik Fillingham Van der Pol is, niet gesanctioneerd door de museumzaal, een theaterdecor, de haaksels van Antonietta Peeters worden nijvere huisvlijt. Deze kunstenaars hebben het museum en de cultuur van de beeldende kunst hard nodig om hun werk te rechtvaardigen en dat lijkt me een zwaktebod.

Slechts een paar van de deelnemers aan Peiling 5 weten zich overtuigend aan deze identiteitscrisis te ontworstelen. Vooral Job Koelewijn en Jeroen Eisinga en in mindere mate Voebe de Gruyter en Mathilde ter Heijne, kijken met een zekere verbazing naar het idioom van de beeldende kunst, maar geven aan die verbazing zo'n draai dat je het probleem als toeschouwer nauwelijks nog ziet. Jeroen Eisinga exposeert bijvoorbeeld drie melancholieke filmpjes, die op vakantiefilmpjes zouden lijken als ze niet elk een persoonlijke ontknoping hadden. Prachtig is vooral Het belangrijkste moment in mijn leven, waarin we Eizinga door een weiland zien struinen, terwijl hij in het Russisch vertelt straks het 'belangrijkste moment van zijn leven' te zullen gaan filmen. Hij steekt een sloot over, begint te draaien en stopt weer, gedesillusioneerd. Dan kijkt hij droevig in de camera en zegt: 'Het spijt me'. De kunstenaar heeft gefaald, maar als je als toeschouwer even had nagedacht, had je kunnen weten dat dit altijd zijn lot zou zijn - een mooi en droevig werk.

Pyama

Goed zijn ook de drie werken die Job Koelewijn aan Peiling heeft bijgedragen. In één ervan draalt een klein meisje in pyjama door een groenbetegelde ruimte, terwijl ze met Fresh-up stiften allerlei teksten op de vloer schrijft. De sterke geur roept een woud aan associaties op die in het theater onmogelijk zouden zijn. Dat Koelewijn hoe dan ook beter over zijn werk nadenkt dan de meeste van zijn collega's, mag blijken uit het feit dat hij - naast Framis en haar glijbaan - de enige is geweest die het aandurfde om buiten de museumzalen te exposeren. Het beeld Bladzijde 11, een overhead-projector met een kom met twee goudvissen op een rozerode, bloemachtige projectie, is prachtig en staat naast het restaurant van het Stedelijk prettig misplaatst te wezen.

Op het einde van de tentoonstelling, met Bladzijde 11 van Koelewijn en Het belangrijkste moment van Eisinga nog in je achterhoofd, kom je aan bij de glijbaan van Framis en hoop je een soortgelijke sensatie te krijgen. Een rechtvaardiging voor het feit dat dit enorme gevaarte in het museum staat. Je glijdt naar beneden, je peinst en voelt je al te pletter slaan... maar niks: het ding had net zo goed in de plaatselijke speeltuin kunnen staan als op de trappen van het Stedelijk. Glijbaan geslaagd, beeld mislukt.

    • Hans den Hartog Jager