En daar was prins Bernhard; Drank, schrijven en het Koninklijk Huis

“Cognac, whisky, wodka, jenever, berenburg, drambuie, pernod, jägermeister, sherry, brandy, rum - ik heb het allemaal geprobeerd.” Toch komt Koos van Zomeren bijna nooit in de kroeg.

Onlangs kwam ik op een borrel een andere schrijver tegen en dat kwam goed uit, ik had zijn laatste boek gelezen, ik vond het een meesterlijk boek.

Hij van zijn kant herinnerde zich mijn rubriek op de voorpagina van NRC Handelsblad en vroeg of het niet moeilijk was geweest ermee te stoppen.

Nee, zei ik, lang niet zo moeilijk als ik gedacht had. Ik had een tijdlang niks gedaan, ik was aan een kleine roman begonnen en ik had de afgelopen zomer zoveel te stellen gehad met de heersende hitte dat er voor depressies geen gelegenheid was geweest.

'En dat boek?' informeerde die andere schrijver op zeker moment.

Die kleine roman, bedoelde hij.

'Die is klaar', zei ik achteloos. Ik verwonderde mij dat hij dat nog niet begrepen had, het verwonderde hèm dat ik daar zo makkelijk over deed.

'Ja', zei ik, 'voor een klein oeuvre is het toch te laat, dus ik dacht: laat ik 'm maar afmaken.'

De ander begon te lachen en ik begon zelf ook te lachen. Ik vind dat je best om je eigen grappen mag lachen. Als ze maar leuk zijn.

De borrel, waar ik het nu over heb, was begin januari, een nieuwjaarsborrel. Is het niet vreemd om terug te komen op een borrel die al zo'n tijdje geleden is? Misschien wel, maar een andere borrel zou ik zo gauw niet weten. Ik kom nooit op borrels. Staan praten met een glas in je hand, ik begrijp niet dat mensen dat kunnen. Ik vind een glas in je hand als je staat te praten ontzettend hinderlijk. Ik vind staan praten trouwens toch al een crime - tenzij er een weiland met koeien in de buurt is, en een hek waar je gemoedelijk overheen kunt leunen.

Ik heb bijna veertig boeken in de kast staan - van mijzelf, bedoel ik. Er is wel eens iemand die zich daarover verbaast. Hoe is het in 's hemelsnaam mogelijk dat je zoveel schrijft? Dan zeg ik dat ik nooit in de kroeg kom. Luchtig antwoord op een netelige vraag.

Veel schrijven staat in een kwade reuk. Van veel schrijven gaat de suggestie uit dat schrijven geen kunst is. Nee, weinig schrijven is veel beter. Weinig schrijven dwingt respect af. Je zou haast denken dat je het beste maar helemaal niet kunt schrijven, en dat is natuurlijk ook zo, helemaal niet schrijven vormt een uitstekende remedie tegen slecht schrijven.

Het is overigens niet echt waar dat ik nooit in de kroeg kom.

Vorig jaar, op woensdagavond 4 oktober, ben ik in een kroeg geweest in Den Burg op Texel. Theunis was erbij. En Petra. En Bruno. En nog iemand - een man die ik me niet goed voor de geest kan halen, maar hij hield zowel van vogels als van mijn boeken, wat ik als een erg gelukkige combinatie beschouw.

Al met al was dat een voorbeeld van buitengewoon geslaagd kroegbezoek.

Je moet zo'n uitspraak dus niet letterlijk nemen. Net als wanneer je van iemand zegt dat hij altijd in de kroeg zit - zo iemand zal heus ook weleens ergens anders zitten.

Ik zou ook kunnen beweren dat ik zoveel geschreven heb omdat ik nu eenmaal vreselijk ijverig ben, maar dat is nog minder waar dan dat ik nooit in de kroeg kom. Ik ben lui. Ik verlummel zeeën van tijd. Als tijd geld was, was ik één van de rijkste mannen van Nederland. Soms voer ik een hele dag niets uit en als ik me dan afvraag of dat zomaar kan - ja, dat kan zomaar, er kraait geen haan naar.

Mij verbaast het eerlijk gezegd dat er mensen zijn die minder schrijven dan ik. Die moeten wel wanhopig zijn. Twintig jaar geleden werkte ik bij een geruchtmakend weekblad en eens in de week, meestal op vrijdag, kwam ik op de redactie - Stadhouderskade, Amsterdam.

De vaste ploeg had voor tussen de middag een kroeg in de Pijp. Soms ging ik mee. Het is niet dat ik me te goed voel voor de kroeg, het is gewoon dat ik me geen raad weet in de kroeg.

Ik weet niet wat je moet zeggen als je binnenkomt. Ik weet niet waar je moet gaan zitten. Ik weet niet hoe je de aandacht moet trekken van de man achter de tap.

Nee, het is geen gierigheid dat ik nooit een rondje geef. Ik weet niet hoe het moet, ik kan het niet.

Net als ik genoeg moed verzameld had en mijn keel begon te schrapen om een bestelling te doen, was er altijd iemand anders die met een simpel handgebaar elk initiatief overbodig maakte. En terwijl mijn geruchtmakende collega's bij een broodje-gezond en een glas bier geroutineerd de lopende zaken bespraken, zakte ik langzaam weg in een gevoel van totale misplaatsheid.

Ik lust geen bier.

Ik heb bier gedronken in de zomer dat ik achttien was. In mei, een examenfeestje op een steenfabriek in Rheden, kreeg ik de smaak te pakken en eind augustus, het Oranjefeest in de uiterwaard van Herwijnen, was het voorbij. Toen ontdekte ik dat bier stonk.

Van dat laatste feest herinner ik me ook een optreden van Willeke Alberti, althans haar piepjonge decolleté, althans het gejoel dat telkens opsteeg als ze een buiging maakte als een nummer was afgelopen.

In die tijd, de tijd van dat weekblad, speelde de Lockheed-affaire. Iedereen maakte jacht op onthullingen en het grote wild was gelokaliseerd op Soestdijk: prins Bernhard, de man van de koningin, de vader van de kroonprinses.

Ik heb toen twéé levensbeschrijvingen over hem gemaakt. Geboorte en jeugd in Duitsland, het huwelijk, het auto-ongeluk, de meidagen, de oorlogsjaren in Engeland en de periode daarna - tot '76 ongeveer.

Deze beschrijvingen volgden hetzelfde stramien, maar de ene in positieve, de andere in negatieve zin. De feiten die hem in het ene verhaal tot een held maakten, maakten hem in het andere tot een schurk. Soms hoefde je immers maar een komma te veranderen om feiten in een compleet ander daglicht te stellen.

Ik geloof niet dat het mijn bedoeling was de affaire te relativeren.

Ik geloof niet dat het een spelletje was met de reputatie van prins Bernhard.

Ik geloof dat het een spelletje was met onze taal.

Ik was nog behoorlijk links en zo, ik vond dat we van Nederland een republiek moesten maken, maar op een of andere manier vond ik schrijven gewoon leuker.

De beide Bernhard-verhalen zouden gelijktijdig verschijnen, het ene op een aantal linkerpagina's, het andere ernaast. Maar Ton van Dijk, die rebelse hoofdredacteur, dacht dat onze lezers in verwarring zouden raken. Dat dacht ik zelf ook, maar voor hem was het een argument tégen.

Dus dat komt er nog eens bij: niet eens alles wat ik geschreven heb is gepubliceerd.

Ik heb een vader die wel een borreltje lust en ik heb een zoon die wel een borreltje lust. Ik kan ze met mijn ogen dicht uittekenen: naast elkaar aan tafel tijdens het jaarlijkse familie-etentje, de één met een glas cognac, de ander met een glas whisky, de één ontzettend ingenomen met zijn drinkende kleinzoon, de ander ontzettend ingenomen met zijn drinkende grootvader. En daar hoor ik dan werkelijk niet tussen.

Cognac, whisky, wodka, jenever, berenburg, drambuie, pernod, jägermeister, sherry, brandy, rum - ik heb het allemaal geprobeerd. Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik heb het geproefd. Van alles wat de mens gestookt en gebrouwen heeft, heb ik wel eens de illusie gehad dat ik het lekker vond, dat dàt mijn drankje was.

We waren een keer in Joegoslavië, de Julische Alpen, en daar schonken ze slivovitsj. Heerlijk, slivovitsj! Dus wij een fles mee naar huis en laatst bleek er nog een bodempje in te staan. Dat heeft Iris toen maar overgeschonken in een kleinere fles, om te gebruiken bij de bereiding van nagerechten en zo.

Maar hoe lang is het nou geleden dat we in Joegoslavië zijn geweest?

Zestien jaar, schat ik.

Ik zou voor alle zekerheid de vakantiefoto's kunnen raadplegen, maar dan zie ik de jongens weer toen ze nog klein waren en dan raak ik helemaal verlamd door het verstrijken van de tijd, dan kan ik misschien dagenlang niet verder met dit eerlijke verslag van mijn zoektocht naar het geluk, deze moedige verkenning van mijn drankprobleem.

Zestien jaar, dat kan er niet ver naast zijn.

Wij hadden een bodempje zestien jaar oude slivovitsj in huis. Waar ter wereld vind je zoiets! De vogelwachters op Engelsmanplaat, een heel broedseizoen in zo'n hut op palen middenin de Waddenzee, bleken over een imposante voorraad sterke drank te beschikken. Deze was bij elkaar gebracht door bezoekers, want die jongens zelf dronken niet. Wat door bezoekers werd geschonken, moest ook door bezoekers worden opgemaakt.

Er stond een kruik korenwijn bij.

Goed, doe mij maar korenwijn. Goh, korenwijn, niet slecht. Dat gleed nog eens soepel naar binnen. Je sliep er prima op (de hele nacht in je slaap het geluid van de wind, het kreunen van hout, het roepen van vogels) en de volgende morgen was je zo fris als een hoentje.

Nu begreep ik eindelijk de zin van mijn queeste in de wereld van de alcohol, nu had ik het goud aan het eind van de regenboog gevonden.

Ik aan de korenwijn.

Maar op een of andere manier smaakte het thuis lang niet zo goed als op Engelsmanplaat. Aanstellerij natuurlijk. Nu niet opgeven, doorzetten!

Een langzaam glaasje op de bank bij de televisie.

Een vlugge slok in de keuken na terugkeer van een literaire avond ergens in het land.

Of op zondagmiddag.

Na een paar kruiken valt ook deze droom wreed in scherven. Ik gruw van korenwijn. Ik slik het laatste teugje door en de tranen springen me in de ogen. Gadverdamme, wat een rotzooi eigenlijk.

Mijn ene zoon schiet te hulp. Koos, zegt hij, je moet de feiten maar eens onder ogen zien; je hebt je best gedaan, maar het wordt nooit wat.

Koos, zegt hij, je bent een mietje.

Wat Prins Bernhard betreft: sinds ik de revolutie heb afgezworen, heb ik hem drie keer min of meer ontmoet, de laatste keer inclusief het schudden van handen en mompelen van beleefdheden. Dat was bij de opening van een nieuw olifantenverblijf in Blijdorp.

Eerst werden er toespraken gehouden. Ik zat toevallig naast een adjudant van de prins. Hij vond dat iedereen het veel te lang maakte. De prins, gaf hij discreet te kennen, had de pest aan stilzitten en luisteren. Ik heb me altijd afgevraagd of die man wist dat ik ook nog moest. Spreken.

Uiteindelijk begaven de genodigden zich richting olifanten en terwijl de rest toekeek, werd de prins toegelaten tot de dieren zelf. Je kon zien dat hij zich met hen begon te onderhouden en toen de rest allang weer terug was in de Rivièrahal, waar de beproefde hapjes en drankjes werden geserveerd, scheen de prins nog steeds bij de olifanten te verblijven. Weldra verspreidde zich het gerucht dat de prins het naar zijn zin had in de dierentuin. Overal zuchten van verlichting, overal blije gezichten.

Misschien had hij de plechtigheid alleen maar als dekmantel gebruikt voor een rendez-vous met de olifanten.

Dat pleit dan voor de prins.

Ik zal niet zeggen dat iemand die van olifanten houdt niet slecht kan zijn. Maar zo iemand houdt in ieder geval van olifanten, niet waar?

Ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan van de Vogelbescherming zou ik een paar stukjes voorlezen over vogels, ik meen dat het in de RAI was.

Halverwege een verhaaltje over steenuilen bespeurde ik tekenen van onrust op de voorste rij. Alsof er een stil alarm was afgegaan. Verscheidene mensen glipten de zaal uit.

Even later zwaaide de deur open en daar was prins Bernhard. De zaalverlichting werd aangedaan, mijn microfoon werd uitgedaan en de prins werd (kort, maar toch) welkom geheten door de dagvoorzitter, ik meen dat het Aad van den Heuvel was. Daarna mocht ik verder met mijn uiltjes.

Bijzonder prettig, zei ik toen, dat de prins het slot van mijn voordracht niet had willen missen. Maar ik had het eerlijk gezegd nog prettiger gevonden als ze hem even hadden laten wachten. Ik bedoel, ze hadden hem niet eens hoeven vragen om te wachten, ze hadden hem alleen maar even aan de praat hoeven houden.

Van sommige mensen weet je dat ze het druk hebben. Van leden van het Koninklijk Huis weet je zulke dingen niet en van leden van het Koninklijk Huis hoef je zulke dingen ook niet te weten, leden van het Koninklijk Huis ontlenen hun status niet aan een volle agenda.

De tijd van de prins is per definitie kostbaarder dan de tijd van wie dan ook. Van de tijd van de prins mag geen seconde worden verspild. Waar de prins wordt verwacht is dan ook alles in afwachting van de prins. Waar de prins ook arriveert, hij arriveert altijd in een sfeer van de grootst mogelijke haast en absolute prioriteit. In elk gezelschap wordt hij rechtstreeks naar de top gevoerd. En dan zie je mensen veranderen in knipmessen.

Belangrijke mannen, die waarachtig wel gewend zijn zelf in het middelpunt te staan, verliezen plotseling al hun middelpuntigheid.

Doodgewone jongens, met wie je zoëven nog doodgewoon stond te praten, verliezen plotseling al hun doodgewoonheid.

En vrouwen krijgen in aanwezigheid van de prins allemaal iets stewardesserigs - het hoofd in de wolken.

Iedereen probeert de prins zo dicht mogelijk te naderen. Iedereen probeert met hem in gesprek te komen en vervolgens zo lang mogelijk met hem in gesprek te blijven. Iedereen probeert meer aandacht van de prins te krijgen dan ieder ander. Maar gevochten wordt er niet, gebeten wordt er niet. Dit zijn mensen, geen chimpansees. Hier heerst althans het vermoeden dat de prins een openlijk gevecht niet openlijk op prijs zou stellen.

Als je het allemaal zo aanziet, besef je dat zo'n man nooit van zijn leven iemand heeft ontmoet die normaal deed. Ja, wat willen wij dan eigenlijk van de prins?

Toen in Den Burg, met Theunis, Petra, Bruno en nog iemand, bevonden we ons in hùn territorium. Zíj moesten maar een kroeg zien te vinden, en in die kroeg een tafeltje. En toen vroeg ìk onmiddellijk wat ze wilden drinken. Ik liep naar de toog, deed mijn bestelling en kon, nadat die inderdaad was bezorgd, ontspannen achterover leunen. Als een man die iets groots heeft verricht.

Ik denk dat ikzelf een glas rode wijn genomen heb.

Wijn gaat wel.

Ik kan mij zelfs verheugen op wijn. Soms neem ik me 's middags voor om 's avonds wijn te nemen en dan ga ik tevreden verder met mijn werk. Vaak blijkt dat voornemen 's avonds glad vergeten. Toch maar thee.

Tragisch eigenlijk. Want dan ìs er een drank die je lust en dan vergeet je te drinken. Dit vergeten kan haast dramatische vormen aannemen. Tussen het uitschenken van de ene en het ontkurken van de volgende fles kunnen weken voorbijgaan. Wijn, schiet me dan opeens te binnen, ik hou van wijn! Een dan maak ik voor de zoveelste keer aanstalten om mij te bekwamen als wijndrinker.

Twee glazen, dan voel ik me buitengewoon lief en geestig. Hooguit drie. Dan begint het lief en geestig-zijn me alweer de keel uit te hangen. Dus dat heb ik ook nog eens: een automatische drank-begrenzer. Om dronken te worden moet ik een geweldige inspanning doen. Ik herinner me maar een paar avonden in mijn leven die ik me de volgende ochtend niet kon herinneren. Toen ik nog jong was. Toen ik nog kon afzien. Toen ik mezelf nog pijn kon doen.

Goed, we zaten op Texel, er werd gedronken, het was gezellig, we kregen het over prins Bernhard en ik vertelde hoe je mensen kon zien veranderen in knipmessen.

'En jij?' vroeg Bruno, en laat ik dat er maar meteen bijzeggen: dit was typisch Bruno. Ikzelf had de gedachtengang die nu komt nog nooit gevolgd, maar ik voelde algauw waar het heenging.

'En jij?' vraagt Bruno.

'En ik?' vraag ik.

'Jij doet daar niet aan mee? Jij gaat niet naar zo'n man toe om met hem te praten?'

'Ik niet.'

'Jij kijkt het aan en staat er een beetje meewarig bij te glimlachen?'

'Of ik ga naar buiten staan kijken.'

'En je denkt dat dat bescheidenheid is?'

'Nee', zeg ik.

'Dat denk ik niet', zeg ik.

'Nee,' zegt Bruno. 'Want eigenlijk sta je te wachten tot hij met jou komt praten.'

We schoten allemaal in de lach en ik bedacht hoe mooi het zou zijn om met deze mensen niet in de kroeg maar in een kleine roman te zitten.

    • Koos van Zomeren