Een kind om van te gruwen

De duivel moest bij zijn grootmoeder komen.

“Wat is er, Bez?” zei hij.

“Je moet wat voor me doen”, zei ze, “want ik verveel me.”

“Zal ik vliegen voor je halen, van die vette, zodat je ze lekker makkelijk de vleugeltjes uit kunt trekken?”

“Nee”, zei Bez.

“Of spinnen, van die dikke, zodat je de poten goed beet kan pakken?”

“Nee”, zei Bez.

“Zal ik het bij de mensen dan insekten laten regenen, zodat ze allemaal naar binnen moeten en de ramen dicht moeten doen?”

“Nee”, zei Bez en zuchtte.

“Of inkt?” zei de duivel. “Ik kan het inkt laten regenen op het schone wasgoed dat in de achtertuintjes hangt.”

Bez schudde haar hoofd.

“Of duivepoep?” zei de duivel. “Of hagelstenen, zo groot als komkommers? Of als ik nou eens zorg voor een zonsverduistering midden op de dag? Wat zal alles en iedereen daar mooi van op elkaar botsen.”

“Nee nee nee, die grappen ken ik ondertussen wel.”

Bez stak een pijp in haar mond en de duivel streek een lucifer af langs zijn tanden en gaf haar een vuurtje.

“Ik zal je zeggen waar ik zin in heb”, zei ze en ze blies een donkere rookwolk uit. “Ik heb zin in een braaf kind.”

“Wat wil je daarmee doen, Bez? Plagen? Pesten? Langzaam soep van trekken? Vierentwintig uur kietelen?”

“Nee”, zei Bez, “ik wil een kind ontmoeten dat zo aardig en braaf is dat ik ervan moet gruwen.”

“En wat doe je dan als je bent uitgegruwd, Bez?”

“Dat weet ik nog niet”, zei ze. “Misschien neem ik het wel mee en sluit ik het net zolang op tot al het brave in het kind op is. Maar dan moet ik wel eerst zo'n gruwelijk braaf kind vinden.”

De duivel krabde eens achter zijn horentjes.

“Dat zal niet meevallen”, zei hij. “De meeste kinderen zien er alleen maar aardig uit. Zo'n echt lieverdje, hel hel, hoe vinden we dat?”

Maar Bez had al een plannetje. Ze wees met de steel van haar pijp naar de aardbol en zei: “Op dat plekje staat, in de buurt van een lagere school, een ijswinkel. Het ijsmeisje zit verkouden thuis, dus kan ik daar ijsjes gaan verkopen en jij kinderen naar binnen lokken.”

“Hoe dan?” zei de duivel.

“Heel simpel”, zei Bez. “Jij doet of je gevallen bent. Als kinderen je zien hinken, zeg je zoiets als 'O, help me alsjeblieft naar mijn oma' en dan zien we wel of er eentje zo gek is.”

“Ik weet niet of het zo'n goed plannetje is”, zei de duivel.

“Maar ik wel”, zei Bez. “En ik weet het zeker, want mijn naam is Bez.”

Ze trok een jurk met roze bloemetjes over haar schubbige huid, bepoederde haar gezicht en zette een brilletje op dat het slangachtige in haar ogen omtoverde tot een vriendelijk kijkende blik. Tot slot bedekte ze haar hoofd waar negen haren op groeiden met een keurig damespruikje van grijze krulletjes.

“Waar is die ijswinkel dan?” vroeg de duivel ongeduldig.

“Ik wijs je de weg wel!” riep Bez en sprong op zijn rug.

In vliegende vaart stuurde ze hem naar het ijswinkeltje. Het was roze en geel geschilderd en aan het raam hingen afbeeldingen van de heerlijkste ijslolly's, vijf soorten hoorntjes met bolletjes ijs in alle kleuren, en allerlei wafels, zilverkleurige coupes en glazen schaaltjes met ijs, slagroom, vruchten, nootjes en gekleurde suiker.

“Zo, nou ga jij buiten zielig lopen hinken”, zei Bez, “dan wacht ik op dat aardige avontuurtje.”

En handenwrijvend ging ze achter de toonbank staan en loerde vol verwachting naar de deur.