De orde rent achter de wanorde aan; Gesprek met de Zweedse auteur Torgny Lindgren

Torgny Lindgren, lid van het gezelschap dat de Nobelprijs voor literatuur uitreikt, houdt niet van deze prijs, al was het maar omdat Louis Paul Boon hem nooit heeft gekregen. Zijn eigen oeuvre is indrukwekkend. In 1983 won hij de National Book Award, in 1986 de Prix Fémina. Nu ook 'Het licht' is vertaald, kan de Nederlandse lezer zich een compleet beeld vormen van zijn schrijverschap.

Torgny Lindgren: Het licht. Vert. Bertie van der Meij. Uitg. De Bezige Bij, 293 blz. Prijs ƒ 44,90. Ook Lindgrens andere boeken verschenen bij De Bezige Bij. Op 19 april treedt Lindgren op in De Balie in Amsterdam in het kader van de SLAA-serie 'Vertellingen uit het Hoge Noorden'.

Torgny Lindgren (1938, geen familie van Astrid) heeft de bibliotheek nooit verlaten. Het aan tbc lijdende kind dat hij was, bracht een groot deel van zijn tijd door tussen de boeken van zijn ouders. Nu, een halve eeuw later, is hij wekelijks in de bibliotheek van de Zweedse Academie in Stockholm. Donderdag is vergaderdag voor Lindgren, Kerstin Ekman en de overige leden van het selecte gezelschap dat de Nobelprijs voor literatuur uitdeelt. Wie het gebouw nadert, nadert de macht. De Nobel-bibliotheek ligt vlak achter het strenge koninklijk paleis op het hoogste punt van Gamla Stan, de oude stad. Je loopt er, over de late sneeuw, dwars door twee eeuwen heen. Sinds de oprichting van de Academie, op 5 april 1786 door koning Gustav III, is deze plek wat ouder geworden. Maar er is nog steeds geen Pizza-Hut te zien.

Bij een eerdere ontmoeting, in 1992 op Story International in Rotterdam, was Lindgren bijna een Zweed als alle andere. Hij verscheen op de afspraak met een plastic tas vol rinkelende flessen, wilde weten welke kaas hij moest kopen en had een beetje heimwee. Rotterdam noch Nederland beviel hem erg. Teveel nieuwe gebouwen in de stad, teveel tocht in de rest van het land. Vier jaar later, in de Nobelbibliotheek, tranen Lindgrens ogen minder dan in Rotterdam. Toch is er iets aan hem dat ook hier niet helemaal thuis hoort. Misschien zijn het zijn net niet goed zittende zondagse kleren; hij ziet eruit als een ouderling in een plattelandskerk. Misschien is het de sterke tabakslucht die om hem, noorderling in sophisticated Stockholm, heen hangt; die vloekt met de voorname meubels en tapijten.

Een beetje ironisch, een beetje trots gaat hij voor in het heilige der heilige van de wereldliteratuur. “Hier vergaderen we één keer per jaar”, zegt hij in een grote zaal. “Dan zit het koninklijk paar op de eerste rij, draaien de camera's en steken wij één voor één een speech af.”

“Hier komen we elke week samen”, zegt hij in een kleine zaal. “De klok daar aan de muur, komt nog van Gustav III - de Academie mag pas vergaderen als hij vijf keer heeft geslagen. En de zilveren bierpul waar de bezoeker met z'n vingers aan zit, dáár stoppen de leden van de Academie dus hun stembriefjes voor de Nobelprijs in. Is vast ook door Gustav III geschonken.”

Zijn mond krijgt een ironisch trekje. Misschien is het dus wel andersom: hoort het Nobel-wezen niet helemaal thuis in de wereld van Torgny Lindgren. “Ik hou niet van de prijs, om eerlijk te zijn”, zal hij later verzuchten, nadat hij zijn spijt heeft betuigd dat Louis Paul Boon de Nobelprijs nooit heeft gekregen. “Je kunt schrijvers niet vergelijken. Elk jaar noemen de kranten vantevoren tien of vijftien mogelijke kandidaten. En ze hebben gelijk.”

Nederland heeft een forse achterstand in het vertalen van Lindgrens boeken. De onlangs verschenen roman Het licht bestaat al negen jaar en De weg van de slang (1988), Batsheba (1991) en de verhalenbundel De schoonheid van Merab (1992) bereikten ons zes tot negen jaar na de Zweedse editie. Het buitenland erkende Lindgrens belang sneller: in 1983 won hij de National Book Award, in 1986 de Prix Fémina. Maar nu Het licht er is, Lindgrens mooiste boek, kan ook de Nederlandse lezer zich een compleet beeld vormen van dit schrijverschap.

Net als bijvoorbeeld Derek Walcott, die hij 'a brother in spirit' noemt, en Gabriel García Márquez, is Lindgren een episch auteur die boven literaire modes en hierarchieën staat en alle mogelijke verhaalvormen en - tradities laat versmelten. In zijn bronnen is er geen hiërarchie: modern en pre-modern, oraal en schriftelijk; kronieken, theologische en filosofische teksten, literaire klassiekers en verhalen uit de Zweedse overlevering - ze vormen samen één grote Lindgren-bron. “Ik heb nooit begrepen”, zegt Lindgren “wat de filosofen van het postmodernisme, wat kerels als Derrida nou voor nieuws beweerden. We hebben altijd op de schouders van anderen gestaan. Met helemaal beneden, op de grond, de bijbel. En Cervantes. En... enzovoort.”

Dorp

Vrijwel al zijn boeken spelen in het barre noorden van Zweden. Daar, in Norsjö, is hij geboren en opgegroeid. Het dorp behoorde tot een pre-moderne wereld. De eerste auto zag hij pas na de oorlog, elektriciteit kwam op zijn achtste, telefoon op zijn tiende. “Tot en met de tijd dat ik kind was, dacht men daar zoals mensen sinds de tijd van Abraham dachten. Ook hun gewoonten waren nauwelijks veranderd.”

Die dorpelingen zijn zijn personages geworden: ongeletterde Zweedse plattelanders in wier leven de dood, het onrecht of de chaos toeslaat. Stamelend staan ze tegenover God en het noodlot en stellen de fundamentele vragen. In het stilistische en linguïstische hoogstandje De weg van de slang is de monoloog van de door het leven zwaar getroffen hoofdpersoon één lang, klagend gebed. Voor de personages in de rest van zijn boeken geldt dat nauwelijks minder.

Dat die 'gebeden' vaak een onhandige mengeling zijn van boerse taal en verheven, maar verhaspeld bijbels jargon, is een van Lindgrens mooiste vondsten. Die taal maakt zijn personages zowel lachwekkend als ontroerend. Maakt ze, met andere woorden, verschrikkelijk menselijk. Opklinkend uit de monden van deze Zweedse boeren, krijgen simpele levensvragen urgentie.

Hoe de 'slings and arrows' van het leven te verdragen? Dat is, zegt Lindgren, de kwestie die in zijn oeuvre aan de orde is. “Ik denk dat alle schrijvers schrijven om het leven te begrijpen. En ik denk, ik weet het niet zeker, maar ik denk, dat mijn voorouders over het leven een soort wijsheid hadden verkregen, verzameld. Heel simpele, maar diepe gedachten over het leven, de dood, de liefde, de haat en God. Die wijsheid probeer ik in mijn boeken nog steeds te vangen.”

Deze speurtocht maakt Lindgrens werk sterk filosofisch. Met Walcott en Márquez heeft Lindgren (1938) een humanistische levensvisie gemeen. Iets maakt ons bij uitstek menselijk, gelooft Lindgren. Een 'geheime substantie' noemt hij het maar. “Zolang ik die niet gevonden heb, ga ik door met schrijven.” Samen met de schrijver zoeken de personages naar de aard van die substantie. 'Rond alle handelingen ligt het waas van een droomtoestand', is één van de motto's van Het licht. Het zou het motto van Lindgrens hele oeuvre kunnen zijn.

Gevraagd naar een toelichting op die uitspraak, klinkt er in de Nobel-bibliotheek een diepe zucht. Geen schrijver die zo hartverscheurend kan zuchten als Torgny Lindgren: o nee, doet U mij die vraag niet aan. “Ik heb altijd heel sterk het gevoel gehad”, klinkt het aarzelend, “dat het leven één of andere betekenis heeft. Een doel. Mensen zijn betekenisvolle, zinvolle dingen. Ik weet alleen niet waarom en in welk opzicht. Wat ik telkens weer probeer te doen, is metaforen maken voor het feit dat het leven en menselijke wezens betekenisvol zijn.”

Na een lange stilte: “Het is zo simpel, zo naïef, zo banaal. Maar toch. Dat is de reden dat ik schrijf. Daarom heb ik zoveel tijd nodig, zoveel jaren om een boek af te krijgen. Ik wil mijn personages vullen met betekenis. Tot ze iets van ons vertegenwoordigen. Tot ze ikonen zijn.”

Oude broers

Lindgren vertelt over zijn meest recente boek, Hummelhonung, dat in Zweden al bekroond is, maar in Nederland nog niet vertaald. De novelle gaat over twee oude broers die elkaar naar het leven staan. Lindgren begon er in 1982 aan, toen hij in de buurt van de Muur verbleef. “Elke avond maakten we een wandeling of namen de auto naar de grens. Om een biertje te drinken en de wachten in de torens te bekijken. Ik zocht naar een metafoor: wat zijn die twee landen die daar liggen? Natuurlijk, twee oude broers! Eén van hen houdt alleen van wat zout en bitter is, de ander alleen van zoet en alles wat heerlijk is en hem vet maakt.”

Het licht is evenwel, als het gaat om personages als ikonen, Lindgrens grootste tour de force. Hij begon aan dat boek toen hij achttien was. In de universiteitsbibliotheek van het Noord-Zweedse Ume©1a las hij werken over middeleeuwse geschiedenis, de Scholastiek, het Romeinse recht en de katholieke kerk van die tijd. In die boeken vond hij verhalen uit Frankrijk over ter dood veroordeelde en onthoofde varkens, honden en ratten. Over dieren dus, die in het canonieke recht als mensen werden behandeld.

In dezelfde tijd bestudeerde hij oude kaarten van Västerbotten - het betreffende deel van Zweden. Hij ontdekte dat op kaarten van de dertiende eeuw een klein dorpje - 'Alleen een stip en een naam' - dat Kadis heette. Op een kaart van een eeuw later was het verdwenen om vervolgens weer terug te keren als Kodis. Lindgrens 'zieke, grappige verbeelding' deed de rest. Een ter dood veroordeeld varken komt in Kadis terecht en je hebt een verhaal. “Daar heb ik vervolgens een jaar of dertig aan gewerkt.”

De roman speelt in de, geabstraheerde, Middeleeuwen en beschrijft hoe Kadis getroffen wordt door De Ziekte. Vrijwel het hele dorp sterft uit, de schaarse overlevenden moeten hun samenleving, die door elkaar is gehusseld 'zoals een varken de spoeling in zijn trog door elkaar hutselt', weer van de grond af opbouwen. Orde en wanorde, goed en slecht, God en de duivel, leven en dood, liefde en haat, recht en onrecht - het is aan de ongeletterde dorpsbewoners om die begrippen, die vroeger vanzelfsprekend waren, opnieuw inhoud te geven en van 'ruis' te zuiveren.

Dat doen ze op hun intuïtie, met alle gevolgen van dien. De roman kent momenten van adembenemende wreedheid. Want: 'Als de mens in een droomtoestand verkeert, is hij net een hongerig zwijn dat zonder eten en toezicht gelaten is'. Maar ook van even adembenemende liefde en inzichten in wat juist is. De roman is in feite de geschiedenis van de menselijke beschaving in een notedop. Een poging om te begrijpen waarom de mens, handelend in zijn 'droomtoestand', zulke peilloze dieptepunten kan aanrichten, maar ook voor hoogtepunten van goedheid kan zorgen.

Lindgren zegt diepgaand te zijn beïnvloed door de ideeën van Thomas van Aquino, de middeleeuwse huisfilosoof van de rooms-katholieke kerk. Veel van diens opvattingen - over zowel de metafysische als de wereldlijke orde - lijken ook aan Het licht ten grondslag te liggen. Uiteindelijk volgt in Kadis in beide opzichten het herstel, vervangt de orde de chaos. 'Er is een tijd voor verscheuring en verstrooiing maar ook een tijd voor terugkeer en wederkomst.' Herstel, lijkt Lindgren te zeggen, is de grondregel van het bestaan: de orde rent achter de wanorde aan.

Eenvoud

Aan Lindgrens verhalen en romans is op het eerste gezicht niet te zien dat ze, zoals de literatuurwetenschapper zou zeggen, intertekstuele produkten zijn, beladen met filosofische pretenties. Bedrieglijke eenvoud is steeds meer zijn handelsmerk geworden. Met Thomas van Aquino deelt hij ook een afkeer van 'retorische pronk'. De kleermaker in De schoonheid van Merab, wiens simpele wandkleden kunst worden, is een kunstenaar naar Lindgrens hart.

“Als je ouder wordt, begin je naar eenvoud te zoeken. Ik beschouw mijn verhalen en boeken als... dingen die gebruikt zullen worden. Mijn grootvader, mijn overgrootvader en diens vader, ze waren ambachtsmensen. Ze maakten stoelen en tafels. Zij dachten: ik hoop dat er op deze stoel gezeten kan worden. Dat idee heb ik ook. Mijn boeken moeten gebruikt worden om... op te zitten.”

Door die verraderlijke eenvoud zou je Lindgren, met zijn voorkeur voor boerse personages en dito verhalen uit vorige eeuwen, voor een chroniqueur van folkloristische vertellingen kunnen houden. Niets is minder waar. Zijn proza heeft, afgezien van het filosofische gehalte, ook een sterk muzikale kwaliteit. Het is werk om in stilte te lezen, ook in vertaling. Lindgren begon ooit als dichter en een dichter is hij eigenlijk altijd gebleven. Hij beschouwt een tekst als een partituur. “Als je leest moet je horen.”

Ook hiervan ligt de bron in Noord-Zweden. Zijn ouders en grootouders, hoewel in het bezit van een forse bibliotheek, waren nog dragers van een oude, inmiddels vrijwel verdwenen orale cultuur. Vooral Lindgrens grootmoeder - 'een geweldige, lieve vrouw met haren van zilver' - heeft grote invloed op zijn schrijverschap gehad. Hij noemt haar 'de 'Dallas' van mijn jeugd'. “Ze rookte pijp. Omdat ze pijnlijke schouders had, moest ik haar pijp stoppen en aansteken. Dan zat ze bij het vuur en vertelde verhalen. Op alles wat ik vroeg, had ze een antwoord en het antwoord was een verhaal.”

Dat Lindgren zelf ook pijp rookt, is misschien toeval, maar verder is grootmoeder allesbepalend geweest: Lindgren werd een schrijver in een orale traditie. Het prachtige Bathseba - in Nederland al verramsjt - is zelfs een schriftelijke weergave van grootmoeders extended remix van het bijbelse verhaal. En veel van de vertellingen die hij van haar hoorde, kwamen later in zijn boeken.

Lindgren is echter vooral een 'oraal' schrijver in de zin dat hij het geschreven woord tracht te verenigen met de kracht van het gesproken woord van zijn grootmoeder. De muzikale magie daarvan heeft van hem een dichter gemaakt. “Ook kenden mijn ouders en mijn grootouders de halve bijbel uit het hoofd en citeerden ze daar vaak uit. Dat was een bijbel uit 1700. Die oude, sterke taal, die een soort waarheid op zich was, maakte een enorme indruk op ons als kinderen. Ik denk dat ik aan dat alles het gevoel heb overgehouden dat ik mijn taal bèn. Niet: de taal representeert mij. Maar: ik bèn mijn taal. Zelfs mijn dromen zijn gemaakt van taal. De substantie is taal. Ik zie mijn dromen niet. Ik hóór ze.”

Muziek

Ook de compactheid van het gesproken verhaal is voor Lindgren een compositorisch doel. Om die in zijn boeken te bereiken imiteert hij in feite de orale traditie zelf: een verhaal steeds weer vertellen, zodat het uiteindelijk zijn meest economische vorm bereikt. In het hoofd. “Ik schrijf eigenlijk nooit. Ik loop vooral rond. En ik luister steeds naar dezelfde muziek. Maar in feite doe ik natuurlijk niks. Ik hou van koken, dus ik kook veel. En ik heb vijfduizend vierkante meter tuin. Dat is veel tuinieren. Intussen blijf ik het boek bedenken. Dan, als ik een sterk gevoel krijg dat het af is, dat al het dode hout weg is, dan schrijf ik het op. In een maand of twee, drie.”

Verdere vragen over dit onderwerp zorgen opnieuw voor diepe zuchten. Net als andere menselijke handelingen vindt schrijven plaats in die 'droomtoestand' - en ja, over wat die toestand precies is, daarover breekt hij zich al zijn hele leven het hoofd. Dan, na een korte stilte, komt er toch een antwoord. En het antwoord is een verhaal. “Een collega werd op een ochtend wakker en bleek een toneelstuk te hebben gedroomd. Hij hoefde maar te gaan zitten om het op te schrijven. In twee uur had hij het af. Elk woord dat hij had gedroomd, stond er. En het was een heel goed toneelstuk. Ik geef er dus de voorkeur aan om schrijven te zien als iets heiligs.”

Om zich heen heeft hij die 'heilige' omgang met taal in hoog tempo zien verdwijnen. “Ik denk dat we elke dag stukjes kwijt raken van onze linguïstische gevoelens. De cyber-cultuur, de massamedia - het zorgt allemaal voor een gestroomlijnde taal zonder complexiteit en variëteit.” Toch, zegt Lindgren, moeten we afwachten. “Er kan een soort reconstructie van de taal komen. Ik zie op treinstations en in de metro steeds meer jonge mensen die poëzie lezen. En ook in de popmuziek is het taalgebruik zo langzamerhand zeer ontwikkeld.”

Misschien, zegt Lindgren, zijn dat tekenen van het herstel, die grondregel van het bestaan. “Houdt u ook zo van U2?”'