De keerzijde van loonmatiging

In 1974 kwamen de economen Den Hartog en Tjan van het Centraal Planbureau (CPB) met een revolutionaire verklaring voor de werkloosheid op de proppen: het jaargangenmodel. Naarmate de loonkosten (bruto lonen, werkgeverslasten, sociale premies en belastingen) sneller toenemen dan de prijzen, zo stelden beide economen, worden oude jaargangen machines, waarvan de bediening veel arbeid vergt, onrendabeler en daarom afgedankt. Ze worden vervangen door slimme apparatuur die dure arbeid uitspaart. De daaruit voortvloeiende werkloosheid was toen nog te overzien (145.000 personen), maar liep wel snel op. Bovendien repte het Centraal Economisch Plan twintig jaar geleden van een 'onzichtbare arbeidsreserve'. De afvloeiing naar de arbeidsongeschiktheid bedroeg 26.000 personen in één jaar tijd. Om de oplopende zichtbare en onzichtbare werkloosheid een halt toe te roepen adviseerden de economen van het CPB loonkostenmatiging.

Meer dan twintig jaar bleef loonkostenmatiging de remedie voor de toenemende werkloosheid. En nog steeds wordt het in de hoofdredactionele commentaren van kranten genoemd als het wondermiddel voor welvaarts- en banengroei. Binnen de Nederlandse ondernemingen kwam een generatie managers aan de macht die vooral bedreven was in kostenbesparing. En zelfs de vakbeweging durfde het woord looneis niet meer in de mond te nemen. Wat heeft het allemaal uitgehaald? De zichtbare en onzichtbare werkloosheid zijn in twintig jaar tijd opgelopen tot zo'n 1,2 miljoen personen. De welvaart per hoofd van de bevolking groeit nog maar mondjesmaat. En de meeste werknemers bivakkeren met hun koopkracht al jaren op de nullijn. Vorige week werd in de Tweede Kamer gedebatteerd over stille armoede.

Zoals alles in de economie heeft ook loonkostenmatiging een keerzijde, zo blijkt. Naarmate oude machines langer in bedrijf blijven en minder wordt geïnvesteerd in de kwaliteit van de arbeid en nieuwe technologieën groeit de produktie per werkende (de arbeidsproduktiviteit) minder snel. Het betreffende land beweegt zich achteruit in de tijd in de richting van een relatief laagproduktieve economie met veel relatief simpele baantjes. Bedroeg de groei van de arbeidsproduktiviteit in de jaren zeventig in de marktsector nog 3,4 procent, in de decennia daarna nam de groei af tot een broodmagere 0,75 procent dit jaar. In de dienstverlening daalde de arbeidsproduktiviteit vorig jaar zelfs.

Gisteren bogen economen van het Centraal Planbureau en universiteiten zich over het probleem van de afnemende groei van de produktie per werkende. Het ziet ernaar uit dat de ééndimensionale pleidooien voor matiging van de loonkosten hun langste tijd hebben gehad. Ondernemers zullen elk jaar weer blijven streven naar meer winst, maar als ze dat alleen maar doen door op kosten te besparen hebben ze na verloop van tijd niets meer om op te besparen. Kostenbesparing is een doodlopende weg. Om verder te kunnen groeien zullen ondernemers, economen, politici en vakbonden de steven moeten wenden. Voor hernieuwde groei van arbeidsproduktiviteit, welvaart en kwaliteit van het leven is creativiteit, intelligentie, durf en gebruikmaking van de nieuwste technologieën vereist. Beter in plaats van alleen maar goedkoop.

Het CPB erkent dat. In een wereld waar economische activiteiten steeds meer footloose worden moet het beleid volgens de CPB niet zozeer gericht worden op loonkostenconcurrentie alswel op: “De kwaliteit en het aanpassingsvermogen van de beroepsbevolking, de kwaliteit en inpassing van kennisinfrastructuur en fysieke infrastrcutuur, telecommunicatievoorzieningen, talenkennis, kwaliteit van arbeidsverhoudingen, flexibele werking van markten en instituties, en betrouwbaarheid en stabiliteit van overheidsbeleid” (Centraal Economisch Plan, blz. 31). De economen zijn aan het omslaan. Nu de hoofdredacties van kranten, de politici en de economen nog.

Volgens directeur Corporate Development Leen Zevenbergen van Roccade, die per jaar meer dan honderd lezingen geeft voor ondernemers, begrijpt 80 procent van de topmanagers niet wat er in de wereld aan het veranderen is. Ze willen niets van nieuwe technologie weten en sluiten zich af in hun enge wereldje van kostenmatiging en elk jaar weer een onsje meer winst voor de aandeelhouders. “Beheerders”, noemt Zevenbergen hen smalend. Beheerders persen citroenen uit tot er geen druppel meer uitkomt. Daarentegen creëren entrepreneurs met vallen en opstaan iets nieuws. Het ontwikkelen van nieuwe produkten en markten is veel moeilijker dan kostenmatiging, maar leidt op lange termijn wel tot meer resultaat, meent Zevenbergen.

Zevenbergen is zelf een entrepreneur. Hij noemt zichzelf succesvol als zijn bedrijf hard groeit, prima mensen in dienst heeft, die goed worden opgeleid en zich bezighouden met nieuwe technologieën. Zo'n bedrijf richt zich op de toekomst, vindt hij. Ook al maakt het weinig of geen winst. Grote winstgevende concerns die uit kostenoogpunt onvoldoende investeren in vernieuwing, opleidingen en salarissen van mensen zijn volgens hem heel wat kwetsbaarder.

Toen de Amsterdamse hoogleraar Alfred Kleinknecht september 1994 stelde dat loonmatiging een 'premie voor niet-innoveren' was, werd hij nog voor gek versleten. Ook door het prestigieuze Centraal Planbureau. Maar wel vaker blijken vermeende gekken de juiste weg te wijzen. Het wordt nog niet volmondig erkend, maar er komen steeds meer scheuren in de totempaal die Den Hartog en Tjan meer dan twintig jaar geleden voor de Nederlandse politiek en economie hebben opgericht.