Bijna niemand over uit de dinsdagavond-revue van kamp Westerbork

Tentoonstelling: Lachen in het donker. Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Hooghalen, t/m 9/6.

Door de expositieruimten van het kamp Westerbork zweeft een weemoedig melodietje van Weense snit, met woorden die vredig en vertrouwd klinken: Immer langsam, immer langsam / immer mit Gemutlichkeit. / Wir haben noch lange Zeit. / Es ist noch nicht so weit. De stem op de bandopname is van Louis de Wijze, die het liedje in 1943 voor het eerst heeft horen zingen. Als gevangene van het toenmalige Judendurchgangslager op de desolate Drentse hei was hij getuige van de cabaret-revue Humor und Melodie, de tweede van de zes revues die tijdens de bezetting in Westerbork werden gespeeld - meestal op de dinsdagavond, om zo snel mogelijk de gedachte aan de transporten op dinsdagochtend uit te wissen.

Uit zijn geheugen heeft De Wijze het onder zijn kampgenoten uiterst populaire chanson nog eens gezongen ten behoeve van de vandaag geopende tentoonstelling Lachen in het donker over het amusement in het eertijdse kamp. Er hangen foto's en gestencilde programmaboekjes, er worden fragmenten vertoond van de (geluidloze) film die in opdracht van de kampleiding in Westerbork is gemaakt, er klinken liedjes, er zijn decorschetsen en er is zelfs toneelkledij.

Het is, voor wie het nog niet wist, ongelooflijk dat het zich allemaal heeft afgespeeld. Maar iedereen was erbij gebaat: de artiesten, die hoopten zich zodoende onmisbaar te maken en gevrijwaard te blijven van het gevreesde transport “naar het Oosten”, het publiek dat even in de waan was in een gewone wereld met een gewoon theater te leven, en kampcommandant Gemmeker, die - in een pontificale fauteuil op de eerste rij - óók wel eens een verzetje wilde. Intellectuele gevangenen als Etty Hillesum (“Gemmekers hofnarren”) en Philip Mechanicus (“de dans om de galg”) wendden zich er walgend van af, maar zij vormden een minderheid.

Gemmeker was trots op zijn artiesten. Willy Rosen en Max Ehrlich, onder wier leiding de revue stond, waren immers in het Berlijn van de jaren twintig grote mannen geweest. In de jaren dertig brachten ze, noodgedwongen, hun charmante, mild ironische cabaret naar Nederland. En na hun deportatie naar Westerbork gingen ze daarmee door, spelend voor hun leven en vergezeld door al even gevierde collega's als Erich Ziegler, Esther Philipse, Camilla Spira, Otto Aurich, Lisl Frank en de violiste en zangeres Jetty Cantor, de enige Nederlandse in dit Duits-joodse milieu. In de grote zaal van barak 9 was mede met hout uit een gesloopte synagoge in de buurt het podium gebouwd.

Maar ook elders in het kamp, bijvoorbeeld in een café waar surrogaatkoffie werd geschonken, is muziek gemaakt. Daar zongen en speelden Johnny & Jones, helden van de vooroorlogse swing-jeugd, hun opgewekte deuntjes. Ze zijn nog te horen, omdat ze er in het voorjaar van 1944 tijdens een weekendverlof (!) in Amsterdam plaatopnamen van hebben gemaakt. “Ik zing mijn Westerbork-serenade, / langs het spoorwegbaantje / schijnt het zilvermaantje / op de heide...”

Geen woord van protest of zelfs maar van onderhuids sarcasme. Natuurlijk niet, dat zou veel te gevaarlijk zijn geweest. Verder dan milde grapjes over de opwinding die een opgestuurd voedselpakket te weg bracht, of over de haast om aan een appèl gehoor te geven, gingen ze niet. Wie de afloop weet, hoort in Immer langsam... een poging tot troost - wéér is het transport zonder jou vertrokken, wéér is er een week gewonnen. Misschien, heel misschien, is die betekenis er ook destijds in gehoord. Maar op de foto die van de gelijknamige scène is gemaakt, staan een fleurig beschilderde postkoets, een houten paard en drie artiesten in negentiende-eeuwse uitdossing. Het oogt als een regulier revue-tafereeltje in een reguliere, nostalgische sfeer.

De foto is afkomstig uit een album, dat in 1943 aan Obersturmführer Gemmeker werd aangeboden. Op één van de bladzijden is in beeld gebracht hoe de man vanaf het podium werd toegesproken: “En ik dank u, Herr Kommandant, dat u ons deze avond mogelijk hebt gemaakt!” Gemmeker ontving de artiesten na afloop soms met cognac en sigaren, aldus het informatieve boekje Lachen in het donker bij de tentoonstelling (ƒ 24,95). Gedienstig volgde hij in de zomer van 1944 echter het bevel op om er een eind aan te maken, en even gedienstig hield hij vervolgens een grote opruiming in het kamp. Bijna geen van de artiesten heeft de oorlog overleefd.