Vernieuwde rituelen rond geboorte en dood; Uit-eten voor een vruchtbare toekomst

Met zorgvuldig gekozen spijzen demonstreren twee koks hoe ingewikkeld dood en leven ritueel met elkaar verweven waren in de voorchristelijke Germaanse en Keltische culturen. En hoe die oude elementen hedentendage gebruikt kunnen worden.

Wat kan een kok bijdragen aan het uitvaartritueel?'' Om die vraag te beantwoorden werd op een zondagmiddag eind maart in de Amsterdamse sociëteit Arti et Amicitiae een 'uitvaartdiner' gehouden (in het kader van de tentoonstelling Midden in het Leven staan we in de Dood). De tumultueuze ovatie waarop de honderd gasten de beide koks Henri Roquas en Otto Genz tegen het eind van het vijf-gangendiner onthaalden, gold wellicht eerder hun waardering voor het evenement met zijn metaforische en theatrale inhoud dan louter de verrukkingen van tong en maag. De schemerige, laat 19e-eeuwse eetzaal van Arti was gevuld met twee lange, parallelle tafels gedekt met witte kleden en versierd met een middenrif van uitbottende takken, waaiervormige kandelaars en bestek van Jacqueline Haverkom met aan de heften donzige zwarte veertjes geplakt. Bij elke stoel lagen een fraai gedrukt menu en de brochure 'Het drempelmaal als middel tot Inzicht en Verlichting' door Henri Roquas. Roquas is ervan overtuigd dat in Nederland leven en dood in het algemeen volstrekt gescheiden worden gehouden, alsof ze niets met elkaar te maken hebben, alsof het afzonderlijke delen zijn van een Berlijn van de ziel waar de scheidsmuur nog staat. De 'Verlichting' in Roquas' titel is bovendien een woordspeling op het lichter maken van zwaar verdriet.

Zo werden bij begrafenisrituelen vaak afrodisiaca geserveerd, die de zintuiglijke afstomping van de dood tartten door de begeerte te prikkelen. Bovendien is de dood voor Roquas niet zomaar het einde, maar houdt die eveneens een belofte in, hoe ongewis ook, van een nieuw begin. Om iemands dood te gedenken, moeten de overlevenden naar hartelust eten - uit eerbied voor de goden, zodat de achtergeblevenen voort kunnen naar een vruchtbare toekomst, en opdat ook de overledene goed zal gedijen (en eten) in het schimmenrijk.

Tijdens Roquas' uitvoerige voorbereidende onderzoek voor Het Drempelmaal bleken niet geschiedkundige of archeologische geschriften of uitvaartgebruiken, zo vertelde hij, maar volkscultuur en sprookjes de meest informatieve en inspirerende bronnen te zijn.

À table! Een daverende gong kondigde elke volgende gang aan, waarna de dichter Willem Jan van Wijk op basis van Roquas' tekst een korte beschrijving gaf van wat er werd opgediend en wat de symbolische betekenis ervan was. Het eerst kwam er St.-Michaelsbrood met maretakthee. St.-Michaelsbrood, een rond, plat brood, wordt gebakken van diverse graansoorten en met karwijzaad bestrooid om boze geesten te weren. De Germanen, die het blijkbaar kenden als Harrbrot (van Hàrr, een Germaanse naam voor Wodan), bakten het voor de goden tijdens de viering van het oude en nieuwe jaar, wanneer ze onder leiding van Wodan allen het dodenrijk verlieten om de levenden met een bezoek te vereren. Sporen ervan, de geschroeide resten van een laatste maaltijd, zijn gevonden in de magen van gefossiliseerde sjamanen die als ritueel slachtoffer zouden zijn gedood. Het smaakte niet onaardig.

Druiden en sjamanen namen een twijg maretak mee als ze vergaderden. Deze parasitaire plant stond bekend om haar magische eigenschappen (toen Loki met een list Hodi zover wist te krijgen dat hij de mooie Balder doodde op wie hij zo jaloers was, gebeurde dat met een onschuldig uitziend twijgje maretak).

De volgende gang bestond uit vijf verschillende, schilderachtig op schelpen gerangschikte 'levende fossielen', stukjes toast en zeewier. Volgens Roquas zijn de door hem in het hart gesloten 'levende fossielen' organismen “die zich om nog onachterhaalbare redenen hebben weten te onttrekken aan de maalstroom van adaptatie, soortvorming of uitsterven. De tijd lijkt geen vat op hen te hebben.” Ertoe behoren de ginkgo-noot, varens, de hoefijzerkrab, blauwgroenwieren, zeeëgels, paardestaarten en de lamprei. “Mogen wij verwachten dat wij, wanneer we levende fossielen hebben opgepeuzeld, hun kennis deelachtig zullen worden?” Behoedzaam sondeerde het hondertal gasten hun schotel hors d'oeuvres, zich afvragend wat kwal was, wat haai en wat tongoester, de mond vol over nieuwe smaaksensaties maar met zichtbare tegenzin. Er ging nogal wat onaangeroerd retour naar de keuken.

Inmiddels spraken disgenoten, voordien onbekenden, met elkaar over de dood en aanverwante onderwerpen alsof ze al jaren bevriend waren: donorcodicils, op band opgenomen boodschappen ter afspeling op hun begrafenis, geloof in een hiernamaals. Het thema-diner had taboes van tafel gejaagd als een brutale kat. Van twee vrouwen hoorde ik over de komende Uitvaartbeurs in Utrecht (van 2 tot 5 oktober), de eerste waarop niet alleen vaklieden maar - op de laatste dag - ook het publiek welkom zal zijn. Een van de laatste zakenkartels in Nederland heeft het uitvaartwezen blijkbaar nog altijd vast in handen - rouwenden, die wel iets anders aan hun hoofd hebben, maken naar het schijnt zelden bezwaar tegen de prijzen voor primaire behoeften als een kist, en de bedrijfstak wil dat graag zo houden. Maar de Utrechtse beurs belooft een eerste stap te worden op weg naar emancipatie en bewustwording van de consument.

Gong! Pot-au-feu, Oud-Duitse stoofpot met mierikswortelsaus en bier gebrouwen naar het recept van de Engelse wassail bowl. Het soepvlees arriveerde op een bord met rondom op de rand het memento mori dat de expositie als titel draagt, en gegarneerd met 'ouderwetse groenten': pastinaak, kliswortel, schorseneer, peen, savooiekool en selderij; van allemaal is vastgesteld dat ze een diepere betekenis hebben. “De Pot-au-feu,” zo meldt onze brochure, “is een zeer oud gerecht dat vermoedelijk teruggaat tot het Germaanse/Keltische offer van de 'souvetarilla' waarbij delen van drie verschillende dieren, rund, schaap en varken, werden geofferd aan de godin Nehalennia.” Godin Nemenikwaluk? Wat is mij Nehalennia, wat ben ik haar? en wat heeft dat te maken met de plakken vlees en toefjes groeten waarmee mijn bord is bezaaid? In een korte pauze waarin een tv-ploeg opnames mag maken, beginnen mijn twijfels en bedenkingen omtrent een begrafenismaal zonder lijk, over vernieuwing die zo naarstig achterom tuurt, te kristalliseren. Is dit de toekomst? Wij zijn toch geen Batavieren of Kaninefaten?

De volgende gang, “Verloren brood met sabayon van honingwijn en appelparfait, geserveerd met appelcider,” helpt de gemoedsrust herstellen, grotendeels door het bolletje ijs, een wonder van frisheid. De stamboom van het 'verloren brood' wordt voor ons nagelopen tot aan de heilige pap die de Germanen en Kelten aten bij begrafenissen en vermaagschapt aan het wentelteefje. 'Wentelen' betekende oorspronkelijk fijnmalen of pletten, een verwijzing naar oud brood dat bij begrafenissen vooraf werd gebakken en vervolgens in water of melk verkruimeld (waardoor het oploste of 'verloren' ging). Het aldus gemaakte beslag werd waarschijnlijk in de vorm van een man of vrouw gegoten en herbakken, wat de 'teef' in de Nederlandse benaming en de 'arme ridder' in het Duits en Engels verklaart.

We waren echt aan de koffie toe toen die kwam, 'met traditionele dodenkoeken als zoolgebak, beendergebak, naakte zielen, mastellen, leedbollen en stevensmannen.' Grote manden vol warm gebakken brood gingen langs de tafels, en dit keer was de vorm wel zeer duidelijk de inhoud: schoenvormig, bijvoorbeeld, ter herinnering aan plicht om schoenen in de doodkist te stoppen opdat de dode niet zou terugkomen om die te zoeken; of ringvormig, naar de grafgaven van ringen, halssnoeren en armbanden, of anders gemodelleerd op de molensteen en de (abusievelijk veronderstelde) baan van de zon om de aarde. Met de stevensman, een koek uit Limburg die lijkt op een mannetje met een bezemsteel, kun je, als je eerst het hoofd eraf snijdt en een voodoo-achtig rijmpje opzegt, iemand ter dood veroordelen. De koeken die we kregen werden vroeger veelal uitgedeeld aan de armen van het dorp, in een tijd toen het dodenmaal in Nederland tot zo'n omvang was gegroeid dat families er permanent door in de schulden konden geraken, om uiteindelijk door het gezag te worden verbannen. Deze grootscheepse festiviteiten aan het eind van de vorige eeuw ontaardden vaak ook in drinkgelagen ('uitvaart, zuipvaart') totdat sterke, bittere koffie de plaats van het verboden bier innam. Dit lange dodenmaal eindigde met een drankje van het huis: eau de vie.

Voor wie vergeefs heeft geprobeerd kaarten voor Het Drempelmaal te bemachtigen, stelt Henri Roquas later dit jaar een maaltijd geheel bestaand uit levende fossielen in het vooruitzicht (020-6939558). De kans bestaat dat de catering op de Uitvaartbeurs in Utrecht onderdelen van de maaltijd uit Arti op het menu zal zetten.

De expositie 'Midden in het Leven staan we in de Dood' duurt nog t/m 14 apr. Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam.

    • Don Bloch