Taalschat blijkt verspreid door de hersenen opgeslagen

Als je op zoek bent naar het juiste woord, en het wil je niet meteen te binnen schieten, doorzoek je in gedachten een uitgebreide schatkamer. Deze taalschat ligt her en der in de hersenen opgeslagen, min of meer los van de tot nog toe bekende centra voor taalverwerking. Dat concluderen onderzoekers van de University of Iowa College of Medicine in Iowa en het Salk Instituut in La Jolla, Californië (Nature, 11 april).

De onderzoekers bestudeerden de manier waarop woorden uit het geheugen worden opgevist bij gezonde mensen en bij mensen met een hersenbeschadiging (laesie). Woorden voor concrete zaken, bijvoorbeeld zelfstandige naamwoorden, blijken te worden opgeslagen in verschillende gebieden in de linker hersenhelft, maar niet in de 'klassieke' centra voor spraakvermogen zoals het motorisch spraakcentrum van Broca en dat van Wernicke. In verschillende, anatomisch gescheiden hersengebieden vinden we verschillende categorieën woorden. De onderzoekers werkten met Positron Emissie Tomografie, de PET-scan, een geavanceerde onderzoekstechniek, waarmee men kan aantonen in welk onderdeel van de hersenen op zeker moment activiteit optreedt.

Er werden 127 proefpersonen met één enkele hersenbeschadiging ergens in de linker- of rechter hersenhelft getest. Ze kregen drie soorten afbeeldingen te zien, die ze moesten benoemen: Bekende ('unieke') personen, niet-unieke dieren en niet-unieke gereedschappen. In het onderzoek werd een score alleen fout gerekend als de ondervraagde de afbeelding wèl herkende, (“O ja, dat is dat beest dat zo vreselijk stinkt als je te dichtbij komt”) maar niet op de juiste naam (stinkdier) kon komen. Afbeeldingen die de ondervraagde helemaal niet herkende (“dat beest ken ik niet”) telden niet mee.

Uit de test bleek, dat 30 van de 127 ondervraagden problemen hadden met het vinden van de juiste namen, en van deze 30 mensen waren er 29 met een laesie in de linker hersenhelft. 7 personen hadden alleen moeite met het vinden van namen van mensen, 5 met het vinden van dierennamen en 7 alleen met het vinden van namen voor gereedschappen. Weer anderen hadden moeite met twee van de drie of zelfs alledrie de categorieën. Merkwaardig genoeg was er niemand die de dierennamen wèl, maar de mensen- en gereedschapsnamen nièt kon vinden. Blijkbaar liggen die laatste twee categorieën anatomisch gezien te ver uit elkaar en is het anatomisch uitgesloten dat ze beide door één hersenlaesie beschadigd zijn zonder dat ook de tussenliggende afdeling, die voor het 'opslaan' van dierennamen, defect is geraakt.

Al eerder was uit ander onderzoek gebleken dat schade aan de linkervoorkwab in de hersenen kan leiden tot problemen met het vinden van woorden die een handeling aanduiden, maar niet met het vinden van zelfstandige naamwoorden.

Volgens de Amerikaanse neurologen moet je je zo'n 'opslagplaats' in de hersenen niet zozeer voorstellen als een 'voorraadkast' maar meer als een gebied dat door leren en oefenen van structuur verandert. Geleidelijk ontwikkelt een mens in zijn zenuwbanen talloze microcircuits die het vinden van het juiste woord vergemakkelijken. Naarmate je bijvoorbeeld meer ervaring opdoet in het omgaan met gereedschappen, heb je hun namen ook sneller paraat. Men vermoedt dat die informatie niet toevallig in het zelfde gebied ligt opgeslagen.