Oude verf en lekke daken

Anderhalf miljard gulden bedraagt de achterstand in het onderhoud van middelbare scholen. 'Want schoolgebouwen kunnen niet staken.'

Op de deur van het Christelijk Gymnasium Utrecht hangt een briefje: 'Wegens lekkage is de waterleiding vanmiddag afgesloten'. Conrector A. Miltenburg wordt er niet vrolijk van. Zoals veel scholen heeft het gymnasium te weinig geld voor onderhoud en exploitatie. Het voortgezet onderwijs krijgt daarvoor dit jaar in totaal 763 miljoen gulden van de overheid, terwijl het eigenlijk 1.166 miljoen nodig heeft. Tenminste, dat blijkt uit berekeningen door de zogeheten 'normeringscommissie', een onafhankelijke groep deskundigen die het ministerie adviseert.

Een verschil van ruim 400 miljoen gulden. Zijn de gevolgen daarvan zichtbaar? “Kijkt u maar naar buiten”, zegt Miltenburg. Hij wijst naar de kozijnen waarvan het hout lang niet overal meer door verf wordt bedekt. Het dak van de school dat vanuit zijn werkkamer te zien is, is overduidelijk aan opknapbeurt toe.

De school is gevestigd in twee gebouwen in de Utrechtse binnenstad, een pand dat in 1932 werd gebouwd voor het gymnasium en een gebouw voor de vroegere katholieke meisjes-ULO uit 1916. Oude gebouwen komen met gebreken. “Tegenwoordig worden de buizen in de wc's zo tegen de muur bevestigd dat eronder makkelijk kan worden schoongemaakt. Daar dacht men toen niet over na. De nonnen poetsten toch gratis.”

Scholen ontvangen van de overheid een vergoeding voor materiële kosten die is gebaseerd op het vloeroppervlak van het gebouw. Een school met een nieuw gebouw krijgt evenveel geld als school met een oud onderkomen van dezelfde afmetingen. “Die glas-in-loodramen zijn natuurlijk mooi”, zegt Miltenburg, “maar er gaat wel veel warmte door verloren.” Ook de plafonds, die bijna twee keer zo hoog zijn als in een modern gebouw, hebben een nadelig effect op de energierekening.

“Je hoopt dat ouders inzien dat de essentie van het onderwijs niet in nieuwe verf zit”, aldus de conrector, “en dat zich weinig calamiteiten voordoen. Want geld om te reserveren is er niet. Ik zou niet weten hoe.” Met ouderbijdragen en een beetje sponsoring - in de gangen van het gymnasium hangen reclameborden - probeert de school “het meest structurele te doen”.

Beleidsmedewerker A. Wever van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), verantwoordelijk voor het openbare onderwijs, vindt het vreemd dat de overheid geen onderscheid maakt tussen scholen met oude en scholen met nieuwe gebouwen. “Maar los daarvan is er gewoon te weinig geld. De vraag is dus: hoe verdeel je de armoede?”

Het komt voor “dat scholen inkomsten uit de personele sfeer moeten overhevelen omdat het dak lekt of omdat de cv-ketel plotseling kapot gaat”, aldus Wever. “Schoolgebouwen kunnen niet staken. Het rijk heeft steeds de neiging gehad om niet overmatig te investeren in de materiële zaken. Dankzij de vakbonden is er altijd veel meer aandacht geweest voor personeelskosten. Als je het schilderen van een lokaal uitstelt heb je niet meteen een probleem.”

Nieuwe vakken

De 'normeringscommissie' schat dat er voor het onderhoud aan gebouwen en vervanging van inventarissen een achterstand is van ongeveer 1,5 miljard gulden - ongeveer twee keer zo veel als er jaarlijks aan wordt besteed. “En er zijn grote verschillen”, beklemtoont secretaris R. Zuidema van de commissie. “Een nieuwe school in Almere redt het nog wel even. Maar in gebouwen van voor 1975 begint men het te voelen.”

De vergoedingen van de overheid voor onderhoud en exploitatie zijn de afgelopen jaren weliswaar gestegen (in de periode 1990-1996 met ruim twintig procent), maar de kosten van de scholen namen sneller toe (ruim dertig procent in dezelfde periode). De belangrijkste oorzaak daarvan vormen de veranderingen van de laatste jaren in het het voortgezet onderwijs, zoals de vernieuwing van het beroepsonderwijs en de basisvorming. Zuidema: “Door de basisvorming is bijvoorbeeld het aantal lesuren toegenomen van 29 naar 32 uur. Dat drukt zich ook uit in de hoeveelheid ruimte die nodig is. En die ruimte moet worden verwarmd en onderhouden.” Voor nieuwe vakken als techniek en verzorging moesten scholen kostbare lokalen inrichten.

“Bij de invoering van de basisvorming is er wel een 'upje' geweest in de bekostiging, maar dat waren druppeltjes op een gloeiende plaat”, zegt W. Bos, beleidsmedewerker bij de Vereniging Besturenraad, waar 95 procent van het protestants-christelijk onderwijs bij is aangesloten. En de basisvorming is niet de laatste vernieuwing in het voortgezet onderwijs. “Binnenkort moeten we de bovenbouw omvormen tot een studiehuis”, zegt Miltenburg van het Christelijk Gymnasium. De gedachte achter het 'studiehuis' is dat leerlingen minder lessen volgen en meer uren zelfstandig werken. Daarvoor moet de school onder meer beschikken over een 'mediatheek', een ruimte met boeken en computers. “Soms”, zegt Miltenburg, “heb ik het gevoel dat er op het ministerie twee groepjes werken die van elkaar niet weten wat ze aan het doen zijn. Een groepje mensen dat vernieuwingen verzint, en een groepje dat over het geld gaat.”

Met het doel geld te besparen heeft er de afgelopen jaren in het voortgezet onderwijs een schaalvergroting plaatsgevonden: scholen zijn samengevoegd tot grote, brede scholengemeenschappen die efficiënter met hun geld zouden moeten omgaan. Dat heeft niet overal tot het gewenste resultaat geleid, zegt voorzitter G.W. Kolthoff van de normeringscommissie: “Het ministerie gaat ten onrechte uit van de ideale situatie waarin 2.000 leerlingen in één gebouw zitten. Dat is lang niet altijd de praktijk. Scholen zijn vaak wel gefuseerd, maar de lessen worden nog steeds verspreid over verschillende gebouwen gegeven.” Want geld voor verhuizingen en verbouwingen ontbrak in veel gevallen.

De verspreide vestiging heeft weer hogere telefoon- en reiskosten tot gevolg. “Er had tijdelijk geld bij gemoeten om alle voordelen van de schaalvergroting te realiseren, maar dat is niet gebeurd. Het ministerie doet daar de ogen voor dicht”, aldus Kolthoff. Het ministerie heeft nog geen reactie op de conclusies van de normeringscommissie. Die moet volgende maand gereed zijn.

Het bedrag van 1.166 miljoen gulden dat scholen volgens de normeringscommissie zouden moeten krijgen, is beslist niet royaal, verzekert secretaris Zuidema “We zijn in onze berekeningen uitgegaan van doelmatig management. De kosten van onrendabele verwarmingen hebben we niet meegenomen.”

Terwijl die er in werkelijkheid natuurlijk wel zijn. Het Spinoza Lyceum bijvoorbeeld, een openbare (dalton) scholengemeenschap voor MAVO, HAVO, Atheneum en Gymnasium in Amsterdam, heeft nog steeds een uiterst inefficiënte olieverwarming. “Niet goed word je daar van”, zegt plaatsvervangend rector R. de Groot. “Het stadsdeel Zuid, dat tegenwoordig het geld van het ministerie verdeeld, heeft geen geld om die te vervangen.” Het schoolgebouw uit de jaren vijftig verkeert in redelijke goede staat, al zou een nieuw verfje geen overbodige luxe zijn.

Glaasje jus

Door de 'overschrijdingsregel', die voorschrijft dat gemeenten openbare scholen alleen dan iets extra's mogen geven wanneer ze eenzelfde bedrag 'doorvergoeden' aan de bijzondere scholen, zijn lokale overheden “heel terughoudend”, zegt Wever van de VNG. “Die regel is een groot probleem.”

De Groot beaamt dat: “Als er bij ons een raam kapot gaat dan moet dat met een factor 2,6 worden vermenigvuldigd voor de bijzondere scholen. Toen Ajax een keer thuis speelde tegen Feyenoord kwamen supporters langs de school. Er sneuvelden elf ramen.”

Hij voorziet een tweedeling in het onderwijs “tussen tweederangsopleidingen die op personeel zullen moeten bezuinigen om de verwarming aan houden en de scholen die het wel redden”. Om het laatste te doen moet je “heel creatief zijn en steeds iets nieuws bedenken”, zegt De Groot. Zo benaderde het Spinoza Lyceum een jaar of tien geleden IBM met het verzoek een informatica-lokaal te financieren. “We hebben het officieel laten openen door wat hotemetoten die vervolgens met een glaasje jus in de hand langs de computers mochten lopen. Vonden ze prachtig. Als tegenprestaties lieten we andere scholen bij ons kijken.”

Potjes

Zoiets lukte, zegt De Groot, omdat de school als eerste op het idee kwam. “Maar dat wordt natuurlijk steeds moeilijker. Gelukkig is onze rector daar heel goed in. Hij gaat bedrijven af, weet potjes op het ministerie aan te boren. Het staat of valt met connecties. Je moeten kunnen babbelen met de ambtenaren van de gemeente. En je moet oog hebben voor wat er in zo'n gebouw gebeurt. Als er 's morgens om kwart voor acht schilders aan het werk zijn, moet je niet doen alsof er niemand loopt. Dan zeg je 'goeiemorgen heren'. Vraag je ze die plint die ze eigenlijk niet hoeven te verven, even mee te pakken. Laat je ze merken dat je iets weet van verf, van tegels - dat is toevallig m'n hobby en dat komt goed uit.”

Verder is het belangrijk, legt De Groot uit, dat de verhouding tussen het 'netto' en het 'bruto' vloeroppervlak goed is. Alleen voor ruimten waarin les wordt gegeven (het netto vloeroppervlak) ontvangen scholen een vergoeding. Gangen, hallen en trappen tellen maar gedeeltelijk mee, al moeten ze wel helemaal worden onderhouden, schoongemaakt en verwarmd. “Als we de fietsenstalling in de kelder hebben verbouwd tot 'mediatheek', is onze verhouding gunstiger”, aldus De Groot.

“We krijgen daarvoor een bijdrage van 40.000 gulden”, lacht hij cynisch. Voor de verbouwing en de aanschaf van boeken en computers zal tussen de twee en drie ton nodig zijn. De aula annex theaterzaal - de school doet veel aan muziek en toneel - moet voor een zelfde bedrag worden opgeknapt.

Gelukkig krijgt de school incidenteel een lening of subsidie uit het Bouten-fonds (genoemd naar de zeer vermogende eerste rector van de school uit de vorige eeuw). Ouders worden waar mogelijk ingeschakeld bij het werven van fondsen of voor het verlenen van hand- en spandiensten (“een architect is wel handig”). En tenslotte is de ouderbijdrage van honderd gulden onontbeerlijk.

“De ouderbijdrage wordt door veel scholen gebruikt voor zaken waarvan je zegt: was dat geen rijkstaak?”, zegt Wever van de VNG. De 'verplicht onverplichte bijdrage' noemt Kolthoff van de normeringscommissie het. “Wallage heeft, toen hij staatssecretaris van onderwijs was, gezegd: als de ouderbijdrage dient als structureel dekkingsmiddel, dan is er iets mis. Wij constateren dat het een structurele bron van inkomsten is om de uitgaven te dekken. Nu moet de politiek maar zeggen of er iets mis is.”

    • Jeroen van der Kris