Mens en massa

“Prachtig pleintje, nietwaar?” zegt de in zwart geklede man, “in het gebouw rechts van u woonde ooit de enige Nederlandse Paus.”

“Paus Adrianus VI”, vult z'n jonge collega aan.

“Ja, niet dat die lang aanbleef, hoor”, gaat de man verder, “na een jaar ofzo was hij al weer de pijp uit, maar toch...”

“Je houdt er een leuk Paus-pleintje aan over”, maakt z'n jonge collega af.

Twee historici leiden ons door het prachtige oude hart van Utrecht naar hun casuscollege cultuurgeschiedenis. De man in het zwart is dr. Maarten van Rossem en zijn jonge collega - heldere ogen achter een ziekenfondsbrilletje - is dr. Jeroen Koch. In de komende zes weken passeren tijdens dit college verschillende cultuurpessimistische visies op de rol van de massa en de massacultuur in de 19de en 20ste eeuw. De titel: De massa en het gemor.

Samen met een groepje studenten dat buiten van de eerste voorjaarszon staat te genieten, gaan we het faculteitsgebouw binnen. Vandaag staat de angst voor de massa en de hordemens van Ortega op het programma.

Koch opent het college: “Dames en heren, sinds wanneer is 'de massa' een vies woord?”

De zaal verbergt zich in de vuistdikke reader.

Koch: “Ik zal u helpen, de aanduiding 'de massa' wordt vanaf de Franse Revolutie negatief gebruikt. Maar waarom?”

“De massa stond op de Dam en juichte de koningin geestdriftig toe”, mompelt Van Rossem, “alhoewel, dan spreek je al gauw van menigte.”

Een student onderbreekt de Snip en Snap-revue en doceert: “Sinds die Franse Revolutie is de elite bang dat hun kostbare politieke instituten door de woede van de massa zullen worden vernietigd.”

“Zeer juist, de politieke visie”, stelt Van Rossem, “u zult goed overkomen in een vooraanstaand avondblad.”

Het eerste schaap is over de dam. Vervolgens blijkt er ook een culturele en zelfs een psychologische opvatting over de massa te bestaan. De eerste, verwoord door Tocqueville, vreest voor de vernietiging van de bestaande cultuur onder druk van de massamaatschappij.

“De psychologische opvatting”, aldus Koch, “leert ons dat de massa regressie in het menselijk gedrag veroorzaakt...”

“... zo van, een beschaafd persoon gaat naar het voetballen en valt, onder invloed van de massa, terug op allerlei dierlijk gedrag,” verklaart Van Rossem.

“Precies”, zegt Koch, “de laat 19de-eeuwse opvatting was dat het volk - de massa - irrationeel, vrouwelijk en crimineel van aard is en dat je daar geen democratische maatschappij op kunt bouwen. De dolende massa heeft dus leiding nodig.”

“En dat - leiding - is precies wat begin deze eeuw de Russische bolsjewisten en de Duitse nationaal-socialisten de massa boden,” legt Van Rossem uit, “maar was die massa wel irrationeel en dolend?”

Stilte.

“Nee”, antwoordt Koch, “de massa kiest bewust haar leiding. Zo rond 1955 concludeert men dan ook dat haar gedrag niet irrationeel, maar rationeel is. Uit bewust eigenbelang kiest zij haar elite. En dan blijkt opeens niet de massa, maar de elite het satanisch gevaar te zijn voor de voortgang van de democratische maatschappij!”

“Een totale ommezwaai in het denken over de massa, én ... tijd voor thee,” besluit Van Rossem.

“Jeroen, jij spreekt toch vloeiend Spaans?” hervat Van Rossem.

“Je bedoelt 'La rebelión de las masas' van José Ortega y Gasset?” zingzegt Koch.

“Precies, De opstand der horden, Ortega's boek uit 1930 over de hordemens en de selecte mens. Wat bedoelt hij eigenlijk?”

Student: “Ortega bedoelde met 'hordemens' het produkt van de massacultuur, een ondankbaar en verwend kind dat onmiddellijke behoeftebevrediging verlangt. Hij beseft niet wat voor aangenaam leven hij eigenlijk leidt en heeft overal een oppervlakkige mening over. De selecte mens daarentegen is gedisciplineerd en weet maar al te goed dat voor al onze verworvenheden nagedacht en gewerkt is.”

“Toen ik het las, dacht ik: Nederland jaren 90!” merkt een andere student vrolijk op.

Koch: “Zeker, maar bent u het dan ook eens met Ortega als die schrijft dat negers in Afrika niet in auto's mogen rijden?”

De student kleurt.

“Ortega bedoelt”, helpt Van Rossem, “dat je dus alleen auto mag rijden als je weet hoe die werkt en hoeveel moeite het kost om hem te maken. Alleen een selecte mens weet dit, of doet de moeite om dit te begrijpen. Wie heeft er hier trouwens een rijbewijs?”

Zo'n twintig studenten steken hun vinger op.

“En wie weet hoe de explosiemotor werkt?”

Slechts één vinger.

Van Rossem: “Dan mag alleen ú volgens Ortega een auto rijden. Zeer Kousbroekiaans. De industrialisatie heeft niets dan ellende gebracht, verwende kinderen zonder discipline, onbenullen die in hun Nissan Patrol door de straten knallen.”

“Ach ja, alle cultuurpessimisten beschrijven alles met grote generalisaties”, verzucht Koch.

“Klopt”, zegt Van Rossem, “net zoals zij altijd beweren dat het vroeger beter was, zonder erbij te vermelden wanneer precies dat 'vroeger' was. Elke cultuurpessimist heeft zijn eigen gouden tijd. Zoals huidige professoren bijvoorbeeld afgeven op het niveau van hun studenten.”

Student: “Ja, niks nieuws, zelfs Socrates klaagde al over studenten die dom en lui waren.”

“Dat is waar. Maar toch, vroeger”, mijmert Van Rossem, “vroeger, zonder RTL4, was het echt veel beter, 's avonds luisterde men naar Bach, las Proust en discussieerde over Tolstoj...”

Hoewel de ironie duidelijk is, begint de massa te morren: “Wat is er mis met RTL4, alle cultuuruitingen hebben toch recht van bestaan?”

Van Rossem glimlacht. En terwijl Koch oproept de verplichte paper voor volgende week niet te vergeten, is onder de aanwezigen het cultuurdebat geopend. Het docentenduo is tevreden en mengt zich onder de horde selecte mensen.