In Liefde Bloeyende

Ida Gerhardt (1905) We hebben

De slachtlammeren De hondsdagen met rosse hitte

van onweer drachtig, en geladen

met onbestemde haat en angsten

voorzeggen dat het onderweg is.

En in de nacht tevoren is er

dat vragend blaten van de lammeren

en het schorre antwoord van de ooien:

een voorgevoel van naderend onheil. En, steeds weer overrompelend, is het

er 's morgens: het vervaarlijk schreeuwen

het driftig klappen van de hekken;

het nors cordon dat stokkenzwaaiend

de lammeren opeist, de onnozelen.

En onder duizendvoudig blaten

van de beangste moederschapen

en het hinniken van schichtige paarden

wordt gemelijk het bevel voltrokken;

tot aan de ontdekte allerlaatste

de kleine smekende verstekeling

gehaast in het wagenkrat geworpen.

En zij zijn weg gelijk zij kwamen

de mannen met de dorenstokken.

Om huis en stallen hangt beklemmend

een stank van zweet en mest en modder;

wij mijden zwijgend, als bij afspraak

het drassig land vol wagensporen.

Volgen, als steeds, de twee etmalen

des aanklagens: het koor der ooien.

Om hen die niet meer zijn schreit Rachel.

En op de derde morgen, steevast

of er geen kindermoord geschied was

is heel de kudde aan het grazen.

Doch als wij trachten door de modder

ons stap voor stap een weg te banen

is bij het hek de wacht betrokken.

Twee machtige rammen. Vast voornemens

hun horens door ons heen te stoten.

We hebben niet de actualiteit nodig - een veelvoudige slachting in een Schotse kleuterklas, een massamoord op schuldeloze runderen - om het drama in dit gedicht mee te voelen. We hoeven ons evenmin het oeroude verhaal van de kindermoord van Herodes voor de geest te halen. Het is duidelijk dat deze slachting een realiteit voor de dichteres is geweest en dat het drama haar persoonlijk heeft aangegrepen. Ze heeft een geschiedenis uit haar onmiddellijke omgeving opnieuw tot eeuwig symbool verheven. Het staat ons vrij er de echo van een historie en de voorspelling van een toekomst in te lezen, maar we beseffen: het is in de eerste plaats haar ontzetting. We beseffen dat door de intensiteit van haar gedicht, we voelen het aan door de opgekropte woede. Het gedicht zindert van meegevoel, het smeult van haat.

Het staat in de bundel De adelaarsvarens van 1988. Ida Gerhardt was toen drieëntachtig.

Elk gedicht heeft een geschiedenis en loopt op iets vooruit, maar hier wordt in de continuïteit ingebroken en een mythe vers opgediend. De dichteres vindt de rituele kindermoord opnieuw uit - of het de eerste dag is. Zó overtuigend maakt ze ons duidelijk wat de geschiedenis met de slachtlammeren voor haar heeft betekend, dat wij voortaan alle kindermoorden - uit de geschiedenis en uit toekomstige krantenberichten - langs de meetlaat van haar relaas zullen moeten leggen.

Ze overtuigt ons door de eenvoudigste middelen. Het is bijna een vertelling, dit gedicht, zonder poëtische verhevenheden of vormtechnische hoogstandjes. De dichteres gebruikt vooral de primaire middelen van uitstel en repetitie.

Na de doffe inzet - de hondsdagen met hun rosse hitte - volgt de voorzegging dat het onderweg is en ook nog eens het voorgevoel van naderend onheil: die herhaalde aankondiging is méér dan een repetitie, ze is uitstel, en dat uitstel houdt nog enige regels aan, tot aan de ontdekte allerlaatste. De repetitie als zodanig zit in het En aan het begin van een behoorlijk aantal regels. En in de nacht tevoren is er. En, steeds weer overrompelend, is het. En onder duizendvoudig blaten.

Een En dat in deze heffingsverzen met vier klemtonen bovendien steeds benadrukt moet worden.

Op school werd ons ingepeperd dat we een verhaal nooit mochten opbouwen met En toen, En toen, En toen. Zoiets was een voorbeeld van lamlendige stijl. Zoiets was een stijl die een dikke onvoldoende verdiende. De dichteres past deze taboe-stijl onbeschaamd toe. Het draagt in dit geval bij tot de spanning, het is in deze context een vorm van economie. De economie van de drift, de mokerslag, de onstuitbare nadering. In een dichterhand kan zelfs modder goud worden. En zij zijn weg gelijk zij kwamen Eerst als de mannen met de dorenstokken van het toneel zijn verdwenen introduceert de dichteres zichzelf als participant en toeschouwer: 'wij'. De golfbeweging gaat verder en verder. Na het vanzelfsprekend zwijgen van de 'wij' volgt twee etmalen lang het koor der ooien. Na de mooiste zin van het gedicht, de opstandige snik Om hen die niet meer zijn schreit Rachel volgt de volledige vrede van de kudde die, met gebogen hoofd, aan het grazen is. Het gedicht lijkt afgelopen.

Eerst dan volgt de werkelijke climax. De 'wij' is weergekeerd en staat oog in oog met die climax. De twee machtige rammen die - wachters bij de poort - het mensdom ter verantwoording roepen.

Klaroenstoot, doek.

De slachtlammeren is één en al theater en muziek. Met een contrapunt, met een salvo. Met een roffel, met een schok.

Het spel met de o's, ingeluid met de hondsdagen met hun rosse hitte, ook dat spel wordt tot het eind van het gedicht voortgezet. Onweer, onbestemd. Het schorre antwoord van de ooien. Het nors cordon. De onnozelen. Voltrokken, geworpen. Vervolgens, na de dorenstokken: modder, wagensporen, koor der ooien. Morgen, kindermoord. Modder, betrokken. Voornemens hun horens door ons heen te stoten.

Door deze doffe roffel heen klieven de a's, drachtig en geladen. Hondsdagen, nogmaals. Haat en angsten. Vragend blaten. Lammeren, moederschapen, paarden. Het allerlaatste wagenkrat. Mannen, stallen, drassig land. De etmalen des aanklagens. Rachel. Stap voor stap. De wacht. Twee machtige rammen.

Enkele klanken, enkele herhalingen, een beetje uitstel. Poëzie is waarachtig doodsimpel. Theatrale bluf. Maar voor het grandioze en heroïsche effect, daar heeft men een groot dichter voor nodig. Daar houdt ook alle explicatie op.