Het begint met een krabbende achterpoot

'In Nederland is tot dusverre geen gekke-koeienziekte aangetoond, maar scrapie bij schapen hebben we wel.' Bram E.C. Schreuder, veearts, is projectleider van de groep Scrapie/BSE die in 1991 bij het DLO-Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid werd samengesteld. In het machtige ID-DLO complex in Lelystad, waarin zeshonderd man werken, is het Scrapie/BSE groepje van vier onderzoekers verhoudingsgewijs onbetekenend. “Maar”, zegt Schreuder, “we hebben de afgelopen weken wel de media over ons heen gehad.”

Het eerste wat het Scrapie/BSE groepje deed was onderzoeken waar scrapie in Nederland voorkwam. Uit een enquête onder 700 schapenhouders bleek dat op zo'n 6 procent van de bedrijven scrapie wel eens werd geconstateerd. Jaarlijks werd daar wel eens een schaap met scrapie afgevoerd. Over de totale Nederlandse populatie betekent dat jaarlijks n één op de duizend dieren scrapie krijgt. Ook geiten kunnen aan scrapie lijden, maar het aantal geiten in Nederland is onbeduidend.

Schreuder: “Over de verdeling van scrapie over die bedrijven in Nederland valt weinig zinnigs te zeggen. Er is overal wel wat, er zijn geen echte haarden en geen echt schone gebieden. Een mozaïekpatroon zou je het kunnen noemen.”

Voordat het verband tussen BSE en scrapie werd geopperd, was scrapie niet een ziekte waar men zich druk over maakte. Andere schapenziekten zoals tuberculose, eisen een veel hogere tol. Scrapie werd gemeld en de kadavers werden afgevoerd, maar vaak werden de dieren nog voordat ze er echt last kregen, gewoon geslacht. Schreuder: “Vergeet niet dat de ziekte zich pas vrij laat, pas bij oudere dieren, manifesteert. Pas sinds kort kunnen we ook bij jongere dieren de ziekte diagnostiseren.”

Dat is vooral het werk geweest van drs. Lucien J.M. van Keulen. Omdat het niet echt praktisch is om bij levende schapen een stukje hersenen weg te nemen, is koortsachtig gezocht naar andere manieren. Die werd gevonden in een immunologische kleuring van een stukje van de tonsillen (de 'amandelen'), dat gemakkelijk uit de keel van een dier valt te knippen.

Van Keulen: “De typische scrapie-eiwitten komen bij schapen ook voor in het lymfestelsel, dus niet alleen in de hersenen en het centraal zenuwstelsel, zoals BSE bij koeien. Die kleuring maakt dat we nu een middel in handen hebben om bij geïnfecteerde dieren, waaraan je vaak nog niets bemerkt, na te gaan hoe de ziekte zich ontwikkelt.”

De eerste verschijnselen van scrapie, in goed Nederlandse schraapziekte, zijn jeuk en krabben, vaak met de achterpoot. Schreuder kan het krabben opwekken door een ziek dier over de rug te wrijven. Na een tijdje gaat het schaap met een poot meekrabben. In een later stadium wordt de jeuk erger en vertoont het dier vreemd gedrag. Het verliest gewicht, krijgt evenwichtsstoornissen en zakt door de poten. Een half jaar na de eerste symptomen sterft het.

Dr. Mari A. Smits houdt zich bezig met de genetica van scrapie. In Lelystad is inmiddels vastgesteld dat bij het in Nederland massaal gefokte Texelse schaap vooral mutaties op positie 136, 154 en 171 de gevoeligheid voor scrapie bepalen. Eén combinatie van mutaties maakt de Texelaars vatbaar, een andere combinatie lijkt juist tegen scrapie te beschermen. Smits: “Mijn idee is - maar de andere leden van de groep geloven daar niet in - dat de zeer gevoelige vorm altijd tot scrapie leidt, dus dat een besmetting niet eens nodig is. Dit zou dan vergelijkbaar zijn met de familiaire vorm van Creutzfeld-Jacob bij mensen.”

Smits kan uit wat bloed van het schaap het gen voor het scrapie-eiwit isoleren. Met de polymerase-chain-reactie (PCR) vermeerdert hij dit gen. Op een denaturerende gradiënt-gel kan hij het gen precies typeren. Als het nodig is om scrapie volledig te elimineren, zou deze test commercieel gemaakt kunnen worden. Smits: “Als het erg belangrijk is om scrapie uit te roeien. Dan kan ik met die test fokadviezen geven, zodat men in ieder geval de zeer gevoelige eiwitten kan elimineren. Je kunt zelfs op volledige resistentie gaan fokken.”

Hoewel de gangbare hypothese bij scrapie uitgaat van een prionziekte, zijn er toch erg veel onbegrepen kanten. Bij prionziekten zou een normaal eiwit onder invloed van de prionvorm ook overgaan in die vorm. Bij scrapie zijn er een stuk of twintig verschillende vormen, strains geheten. Die verschillende strains hebben een verschillende incubatietijd en zien er neuropathologisch verschillend uit. Smits: “Je vraagt je onmiddellijk af of een eiwit echt in twintig verschillende vormen kan vouwen. En dat die vormen allemaal infectieus zijn, maar iets verschillend. We nemen daarom ook aan dat er toch nog een andere factor aanwezig moet zijn. Maar tot dusverre is die niet gevonden.”

De gangbare strains van scrapie bij het schaap zijn normaal niet infectieus bij koeien. Men neemt aan dat een strain is veranderd, zodanig dat hij ook koeien infecteert. BSE zou dan door een andere strain worden veroorzaakt.

Smits: “Het vreemde bij deze groep ziekten is dat soms de soortbarriére wordt genomen. Dus van schaap naar koe naar mens. Zelfs naar katachtigen en naar de muis. Uit de aminozuurvolgorde van de prioneiwitten weten we dat ze voor zo'n negentig procent gelijk zijn. Dat betekent dat ze zeer conservatief zijn in de evolutie, ze zijn al heel oud. Je neemt dan aan dat ze onmisbaar zijn voor het dier. Maar wat blijkt? Je kunt het gen bij de muis helemaal uitschakelen. Het dier heeft dan geen prion-eiwit, maar het leeft zonder problemen. En het blijkt volledig ongevoelig voor infectie, met welke strain dan ook. Dat klopt dan wel met de prion-hypothese, maar voor de rest is het raadselachtig. We weten voorlopig meer niet dan wel.”