Geloof, haat en lust

Ik kom steeds meer mensen tegen - verstandige, leuke, slimme mensen - die katholiek zijn, of zelfs onlangs zijn geworden. Ik ben er jarenlang zo van uitgegaan dat religie langzamerhand zou uitsterven - mensen wisten inmiddels toch wel beter - dat ik mijn oren laatst niet kon geloven toen ik hoorde dat mijn tafelgenote, een door mij bewonderd schrijfster, mij vertelde dat ze katholiek was geworden. Hier wilde ik alles van weten, maar helaas waren we al bij het toetje en denderden er andere gesprekken doorheen.

Ik heb lang gedacht dat modernisering vanzelfsprekend samenging met secularisering, en begin te beseffen dat dat onzin is. Wij in West-Europa vormen een ongelovige uitzondering in een gelovige wereld, en Nederland is daarbinnen dan ook nog weer heidenser of afvalliger dan de rest. Het was altijd zo'n heldere indeling tussen rationeel denkende mensen, die het zonder religie wisten te stellen, en gelovigen die in mijn ogen zwakker van geest waren omdat ze niet zonder konden, verslaafd als ze waren door droom & bedrog.

Die overzichtelijke scheidslijn van toen tussen rede en illusie werkt niet meer. Studenten hebben grote belangstelling voor religie en religiositeit en ervaren dit helemaal niet in tegenspraak met studeren - de rationele weg naar kennis en verheldering - noch met psychotherapie, wat voor mij altijd haaks stond op de religieuze weg naar het innerlijk. Toen ik laatst uitgenodigd werd om een inleiding van iemand over te nemen op een zeer katholiek gezinscongres in Den Bosch nam ik dat aan, in de hoop iets meer te weten te komen van het katholieke geluid en haar aantrekkingskracht.

Het bleken uiteenlopende geluiden, lopend van conservatieve pleidooien voor de oervorm van het gezin als enige juiste, tot progressieve tijdsgewricht-kritiek op het materialisme en het allesoverheersende marktdenken. Vooral een Zweedse bisschop die gloedvol tekeerging tegen het wekelijks winkelen is me sterk bijgebleven, het shoppen als moderne pelgrimage: near to your God, to material things, als zinnen uit een popliedje.

Terugkeer naar de kerk betekende voor hem de herleving van sociale en humanitaire waarden die in deze tijd overwoekerd worden door economisch-pragmatische afwegingen. Herkenbaar als socialistische melodie, maar dan een oude variant, die in die kringen vaak al weer vervangen is door het marktdenken. Als boodschap was dit beduidend wervender dan de nadruk op het lijden, het offer, kortom de masochistische kanten van de Heer die me altijd zo tegenstonden.

Wat stond me verder nog meer altijd zo tegen? De onderschikking aan de orders van Rome, alsof ze daar konden uitmaken wat goed voor je is, de inperkende gevoelsmoraal, de loochening van de driften (zowel seks als agressie) en de emotionele oneerlijkheid die dat teweegbrengt. Dat soort dingen. Maar de mensen over wie ik het heb lijken zich daar geen moment aan te storen, schrijven prachtig over erotiek, haat en lust, en zijn eerlijker over zichzelf en tegen zichzelf dan menige ongelovige. Waar hebben zij het dan toch over? Ze hebben het over verbondenheid, over de kracht van de rituelen, de troost, de verbeelding. Over het feestelijke - altijd wel weer wat te vieren -, om nog maar te zwijgen van het hele hoofdstuk van zingeving en de binding met het hogere of het metafysische. En dan natuurlijk - om weer af te dalen naar het aardse - het geluid van de klokken, de klanken, de geuren en de beelden.

Kennelijk bevat dit geloof veel, en kunnen mensen er uit halen wat iets voor hen betekent, zonder zich veel aan orders en geboden gelegen te hoeven laten liggen. Of dat nou een verdienste is van het geloof of van deze gelovigen weet ik niet. Dat het bestaan er rijker van wordt laat zich denken. Je hoeft maar een katholieke uitvaartmis mee te maken en je wilt niets liever: de rest is opeens van een onverdragelijke kaalte. Waar het in voorziet valt te begrijpen, en ik heb daar denk ik meer oog voor gekregen dan vroeger. Zou je eraan mee kunnen doen zonder in God te geloven?