Ecoducten tussen bloempotten

De inheemse flora en fauna hebben zwaar te lijden onder de versnippering van natuur en landschap. Oplossing: natuurontwikkeling en corridors tussen losse stukjes natuurgebied.

Neem bijvoorbeeld de heikikker, circa één jaar oud en in het voorjaar op zoek naar een eigen, moerassig territorium. Daarvoor zal hij, komend uit zijn winterverblijf, gemiddeld enkele kilometers moeten afleggen, maar of het hem lukt de begeerde plek te bereiken, is zeer de vraag, zeker in Nederland. Als het beestje een autosnelweg passeert, is zijn overlevingskans praktisch nihil, ook 's nachts, en hetzelfde geldt voor een drukke provinciale weg. Ook kanalen vormen meestal een onneembare barrière. Kanalen zijn niets anders dan langgerekte, door steile damwanden omringde bakken water; daar kan de kikker wel inspringen, maar hij kan er niet meer uitkomen. Weer een andere hindernis bestaat uit agrarisch land. Vooral akkers zijn in het vroege voorjaar nog kaal en droog, zodat het jonge dier, dat veel vocht nodig heeft, grote kans loopt uit te drogen en voortijdig te sterven.

Met dit voorbeeld illustreert dr. P. Opdam hoezeer de inheemse wilde fauna te lijden heeft onder versnippering van natuur en landschap. Opdam (van huis uit ornitholoog) is hoofd afdeling landschapsecologie van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN), onderdeel van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij. Die afdeling heeft kort geleden over aard en omvang van het versnipperingsprobleem - en over “de weg naar een oplossing” - rapport uitgebracht en dat toegestuurd aan een reeks bij natuurherstel betrokken instellingen: het ministerie zelf, Staatsbosbeheer, de Landinrichtingsdienst, particuliere organisaties (zoals de Vereniging Natuurmonumenten) en de provincies, die een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het uit 1990 daterende Natuurbeleidsplan van de regering.

De natuur in Nederland wordt permanent belaagd door een zestal verschijnselen die met 'ver' beginnen. Verdroging, vermesting en verzuring, vervuiling, verstoring (door bijvoorbeeld recreatie en militaire oefeningen) en versnippering. Dat laatste is alom zichtbaar. Natuur en landschap worden nog steeds in hoog tempo verknipt en in het eerste geval tot geïsoleerde “bloempotten” gereduceerd door de aanleg van wegen, industrieterreinen, kantoorparken ofwel brainparks en woningbouw. Het net van autosnelwegen blijft zich uitbreiden; zie de omstreden aanleg van de A 73 op de kwetsbare oostoever van de Maas tussen Venlo en Roermond. Elders worden autowegen verbreed. Ook de infrastructuur van de spoorwegen is aan uitbreiding onderhevig. Markante voorbeelden daarvan zijn de voorgenomen hogesnelheidslijn en Betuweroute. In de sector woningbouw staan omvangrijke uitbreidingen op stapel, speciaal op de zogeheten Vinex-locaties in en om de Randstad.

“Dit alles”, zegt Opdam, “beperkt vanzelfsprekend de mogelijkheden van zowel dier- als plantensoorten om zich te verspreiden en gebieden waaruit ze verdwenen zijn, te herkoloniseren, weer in bezit te nemen. Daarbij treden echter per diergroep aanmerkelijke verschillen op. Reptielen bijvoorbeeld zijn veel gevoeliger voor versnippering dan vogels, omdat vogels zich gemakkelijker en over grotere afstanden verplaatsen en zich door versperringen op het land niet laten afremmen.” Alle zes reptielensoorten die Nederland telt, ondervinden nadelige gevolgen van de versnippering. Van de zestien inheemse amfibieën (waaronder de heikikker) heeft 75 procent hinder van dit fenomeen. Bij zoogdieren (36 soorten), dagvlinderds (71) en broedvogels (168) zijn die percentages respectievelijk 48, 30 en 25.

Doodgereden

Vrijwel altijd is het een combinatatie van schadelijke invloeden die een soort onder druk zet, soms zo zwaar, dat ze uit een bepaalde regio verdwijnt, in enkele gevallen zelfs uit Nederland. Sinds 1988 geldt de otter - “zeehondje van het zoete water” - als uitgestorven in ons land. In september dat jaar werd hoogstwaarschijnlijk de laatste van een vroeger zo bloeiende populatie bij het Friese Joure doodgereden. Dit exemplaar stierf door een belangrijke oorzaak van de versnippering: de autosnelweg. Soortgenoten vielen ten offer aan het verschijnsel zelf (ontginning en afkalving van hun leefgebied), gevoegd bij ernstige watervervuiling. Het was geen toeval dat de snelle achteruitgang van de otter na 1960 samenviel met de massale toepassing van chemische bestrijdingsmiddelen en de lozing van pcb's (polychloorbifenylen) en zware metalen. Deze persistente stoffen hopen zich op in de voedselpiramide, waardoor ten slotte een 'toppredator' als de otter, die voornamelijk van vis leeft, het loodje legt.

Regionaal of lokaal uitsterven van een diersoort door een samenspannen van nadelige factoren komt regelmatig voor. Soms speelt versnippering in dat proces een hoofdrol, bijvoorbeeld bij het korhoen, dat op heidevelden leeft en in de loop der jaren uit Drenthe, de Veluwe en van de Utrechtse heuvelrug is verdwenen. Alleen de Sallandse heuvelrug herbergt nog een levensvatbare populatie, bestaande uit circa dertig broedparen. “Maar zo'n aantal”, zegt onderzoeker Opdam, “garandeert allerminst een onbekommerd voortbestaan van de soort. Er hoeft maar iets te gebeuren, voedselgebrek door heidebrand, een zeer droge of juist bijzonder natte zomer en het korhoen is ten dode opgeschreven.”

Ook moerasvogels als roerdomp en rietzanger hebben voornamelijk door vernietiging dan wel versnippering van hun biotoop veel terrein moeten prijsgeven. Uit Zuid- en Oost-Nederland zijn ze nagenoeg verdwenen. De adder, een reptiel dat gehecht is aan vochtige heide en ongerept hoogveen, komt nog slechts op verspreide plekken in Brabant, Midden-Limburg, Drenthe, Overijssel en op de Veluwe voor. “Die lokaties”, vertelt Opdam, “liggen tientallen kilometers uit elkaar, afstanden die door de adder onmogelijk te overbruggen zijn.”

Door versnippering vermindert bovendien het herstelvermogen van diverse soorten. Rietzangers overwinteren in de Sahel en als daar extreme droogte heerst, komen er veel niet terug, wat voor de Nederlandse broedpopulatie een zware klap betekent. Opdam: “Maar daarna zie je een opvallend verschil. De rietzanger herstelt zich voornamelijk in niet-versnipperde moerasgebieden, bijvoorbeeld de Kop van Overijssel en de Utrechts-Hollandse plassen. In versnipperde gebieden, vooral Brabant en Zuidoost-Nederland, komt hij er niet meer bovenop.”

Versnippering van de natuur kent ruwweg vier componenten: vermindering van het totale oppervlak waar dier en plant kunnen leven, het uiteenvallen in kleine eenheden, het toenenemen van de afstand tussen leefgebieden en het toenemen van de weerstand die het tussenliggende (agrarische) landschap biedt. Hoe kleiner de 'leefplek' van een soort, hoe minder individuen er voorkomen. “Populaties van soorten”, aldus het rapport van het IBN, “fluctueren altijd min of meer. Deze fluctuaties kunnen nog eens versterkt worden door weersinvloeden. Als gevolg van deze toevallige gebeurtenissen loopt een kleine populatie grote kans te verdwijnen.”

Dispersie

Het plaatselijk verdwijnen of uitsterven van een soort is in de natuur een veel voorkomend verschijnsel, dat onder normale omstandigheden wordt gecompenseerd door herbezetting van de leeggeraakte plekken. Herbezetting treedt alleen op als dieren van de ene 'leefplek' naar de andere kunnen komen. Dit heet in het ecologenjargon dispersie. En vooral daar blijkt de schoen te wringen. Die uitwisseling wordt ernstig belemmerd door de groeiende afstand tussen de afzonderlijke 'leefplekken' en de aanwezigheid van barrières (autowegen, spoorlijnen, kanalen, enzovoort) in het landschap. Met andere woorden: versnippering verstoort het evenwicht tussen plaatselijk uitsterven en herkolonisatie, waardoor het eerste vaker voorkomt dan het tweede. De overlevingskans van een soort neemt daarmee geleidelijk af. Het proces begint lokaal, maar op den duur kan landelijk uitsterven het gevolg zijn.

Tot zover de IBN-rapportage waar het gaat om aard en omvang van het versnipperingsprobleem. Daarnaast wijst het stuk de weg naar een oplossing en dat gebeurt onder de noemer 'verbeteren, vergroten en verbinden'. Ze liggen alle drie voor de hand. Verbeteren wil zeggen dat de kwaliteit van natuurgebieden omhoog gaat en dat is onder meer te bereiken door een uitgekiend beheer. Om een voorbeeld te geven: riet moet regelmatig (maar ook weer niet te vaak) worden gemaaid om te voorkomen dat dit gewas verdwijnt door de opslag van bomen en struiken.

Om het natuurlijk areaal te vergroten wordt het middel van natuurontwikkeling aanbevolen, te omschrijven als “het bewust creëren van omstandigheden waarin dier- en plantensoorten kunnen voortbestaan op plaatsen waar die condities nu ontbreken, maar in beginsel wel aanwezig zijn.” Natuurontwikkeling is inmiddels een gangbaar systeem; het komt erop neer dat voormalig, uit productie genomen boerenland via menselijke ingrepen aan de natuur wordt teruggegeven. 'Omtoveren' heet dit ook wel: waar eerst bieten en uien tot wasdom kwamen, moet de wilde flora weer gaan heersen.

De term 'verbinden' spreekt voor zichzelf. Het gaat erom geïsoleerde stukken natuur met houtwallen en andere natuurlijke corridors aan elkaar te breien, zodat lopend en kruipend gedierte zich weer van het één naar het ander kan bewegen. Ook verspreid in het land liggende snippers natuur kunnen de zogeheten dispersiestroom bevorderen. Ze dienen afzonderlijke individuen tot stepping-stones, waar ze krachten opdoen alvorens verder te gaan. En als laatste remedie: de sterfte op wegen en in kanalen is te verminderen door voorzieningen als tunnels, ecoducten en buizen in combinatie met rasters.

Het klinkt bemoedigend, maar wat is de praktijk? Wie zijn ogen in Nederland de kost geeft, ziet meer tekenen van voortgaande landschappelijke verarming en versnippering dan voorbeelden van het tegendeel. Woon- en kantoorwijken blijven oprukken, terwijl ook de infrastructuur van asfalt, beton en ijzer nog niet is uitgewoed. Nederland distributieland nietwaar. Is het geen vechten tegen de bierkaai wat de sector landschapsecologie van het IBN onderneemt?

Afdelingshoofd Opdam: “Het is een keus van onze maatschappij. Willen we natuur of wegen? We willen het allebei.” In die optelsom van verlangens ziet hij echter de natuur niet als het kind van de rekening. Niet meer tenminste en daarbij beroept hij zich op het Natuurbeleidsplan uit 1990 en speciaal de ruggegraat daarvan: de ecologische hoofdstructuur als samenhangend netwerk van bestaande natuurterreinen, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones dat zich over Nederland moet uitstrekken. De totstandkoming van dit netwerk mag dan door geldgebrek vertraging oplopen, er is volgens Opdam geen reden tot treurnis over het lot van plant en dier. “Het gaat misschien langzamer dan we hoopten, maar het proces zet door. Alleen al voor natuurontwikkeling is 50.000 hectare grond uitgetrokken. De vruchten daarvan plukken we niet morgen, maar wel als we een generatie verder zijn.”

Hoe het moet, bespeurt hij onder meer bij Rijkswaterstaat: “Daar zitten tegenwoordig mensen met oog voor de natuur. Nieuwe wegen worden doorlaatbaar, er komen standaard dierentunnels in. Er zijn plannen voor verbetering van het Amsterdam-Rijnkanaal, ook zo'n kale, door damwanden omringde bak met water. Maar daar willen ze iets aan doen. Op diverse plaatsen krijgt de oever een natuurlijke glooiing, zodat te water geraakte reeën en kleinere dieren weer op de kant kunnen kruipen. Bijvoorbeeld die op drift geraakte kikker.”

Ook in de landbouw ontwaart hij signalen van herstel: “Los van die 50.000 hectare die weer een natuurlijke bestemming krijgt, verwacht ik een ontwikkeling naar meer duurzame landbouw. Er komt dan meer ruimte voor natuurlijke landschapselementen, bijvoorbeeld houtwallen en meidoornhagen.. Dat betekent dat de weerstand die trekkende dieren in het cultuurland ondervinden, langzaamaan minder wordt.”

Maar zó langzaam, dat ze er wellicht geen profijt meer van trekken, omdat ze tegen die tijd al uitgestorven zijn. Bijvoorbeeld wegens ruimtegebrek door al die nieuwe woonwijken en brainparks.

Opdam: “O nee, zo somber zie ik het zeker niet. De grote ecologische winst vergeleken met tien, twintig jaar jaar geleden zit hierin, dat bij alle plannen de natuur een rol van gewicht speelt. De natuur maakt tegenwoordig deel uit van elke planologische procedure en dat geeft me reden om niet te wanhopen.”