Ars morandi

Wie zich vroeger heeft moeten aftobben met Latijn, en dan speciaal met de vormen van het gerundium en het gerundivum, zal direct begrijpen wat ik bedoel - anderen, vrees ik, niet. Maar elke keer als ik het werk van Morandi weer eens bewonderd heb, pleegt zich dezelfde etymologische gedachte aan mij voor te doen: dat ik gekeken heb naar en heel speciale vorm van kunstbeoefening, namelijk de zogenaamde ars morandi.

Morari, moet men weten, betekent (onovergankelijk) 'zich ophouden, verwijlen, talmen'; en (overgankelijk) 'vertragen, tegenhouden'. En de ars morandi, kan ik me niet weerhouden erbij te denken, die moeten wij ons allemaal zien eigen te maken. De kunst van de pas op de plaats, de kunst van de kleinst mogelijke beweging, de kunst van het minimale arrangement, de kunst van het uitzicht vanuit de achterkamer, de kunst van het denken aan de hand van het meest vertrouwde, de kunst je niet te vervelen in je zelfverkozen gevangenschap - om maar een greep te doen uit de vele vereisten die tezamen, wellicht, de arsmorandi vormen.

De tentoonstelling in de nieuwe aanbouw van het Teylers Museum in Haarlem is woordarm; en hoe kan het ook anders. Maar de paar woorden die er tentoonstellenderwijs gespendeerd worden aan de schilder uit Bologna roepen het universum van Giorgio Morandi goed op. Ik althans kan een waarderende glimlach niet onderdrukken wanneer ik weer eens lees - het zijn altijd dezelfde schaarse maar tegelijk monolitische gegevens waarmee de beschouwer het moet doen - dat Morandi, na een oproep voor militaire dienst, prompt ziek werd, om na enkele weken afgekeurd te worden. En dat hij Bologna, althans Noord-Italië, welgeteld één keer verlaten heeft, voor een reis naar Zwitserland.

Het heeft in het geval van Morandi al iets van een godswonder dat hij zijn huis wel eens verliet, om naar de academie te gaan, waar hij les gaf in etsen. Niets of heel weinig op de tentoonstelling zelf wijst erop dat de schilder ooit iets anders gedaan heeft dan zich binnenshuis ophouden, en wel geheel alleen, zou je zonder biografische hulp denken. Hij lijkt aan twee plaatsen genoeg gehad te hebben. Zijn atelier, met daarin een verder niet tot enigerlei meer pregnante aanwezigheid geraakt oppervlak - een tafel? -, en in dat atelier een raam met uitzicht op tuinen en andere huizen.

Bijna alle kunstwerken van de hand van Morandi - ik overdrijf maar weinig - hebben één van drie generieke titels. Ze heten ofwel 'Natura morta', of 'Paesaggio', of 'Cortile di via Fondazza'. Altijd maar weer! Met een jaartal, dat wel. Maar als je bedenkt dat Morandi (1890-1964) meer dan zestienhonderd schilderijen geproduceerd heeft, kan het onderscheidend vermogen, ook van een jaartal, niet zeer groot zijn.

De stillevens van Morandi zijn misschien wel de stilste stillevens die er überhaupt bestaanbaar zijn, voorzover ik de nu bijna vierhonderd jaar oude traditie van dat onpeilbare, dunne genre een beetje denk te kennen. Een gespecialiseerder stillevenschilder dan Morandi is niet denkbaar. Een schilder die met nog minder toe kan, zonder krankzinnig te worden, daar geloof ik niet in. Een stilleven na Morandi, dat moet onmogelijk zijn.

Morandi is een eindpunt.

In het begin immers van de stilleventraditie verheugden de dingen - de vruchten, de broodjes, de glazen - zich in hun bestaan, en dat zijn ze heel lang blijven doen, op diverse manieren. Eerst met heel veel tegelijk, en alles zo goed mogelijk zichtbaar (ik heb het over het begin van de zeventiende eeuw); vervolgens in subtieler arrangementen, eenvoudiger. Maar steeds was het de stillevenschilders erom begonnen, de schoonheid van de dingen zelf, vaak alledaagse, op het doek te krijgen. Het ging om kleur en glans en glinstering. Men kon geroemd worden om zijn stofuitdrukking.

Morandi heeft ook daarmee afgerekend. Hij bedekte zijn 'modellen' - zijn flessen, zijn kannen, zijn blikjes - met verf. Hij wilde zo weinig mogelijk te maken hebben met hun afglans, hun geglim, hun lichtvangst. Je kunt aan Morandi's voorwerpen niet of nauwelijks zien van welk materiaal ze 'zijn'; laat staan waartoe ze zouden kunnen dienen, anders dan als zorgvuldig in onderling verband gebrachte vormen als zodanig: op de rand van elk mogelijk praktisch bestaan. Morandi's voorwerpen hebben geen ander doel meer dan de dunne plastiek van hun arrangement.

Ook in dat arrangement is Morandi verder gegaan dan enige schilder voor hem. Hij dreef zijn voorwerpen opeen. Of hij zette ze zo neer dat ze het zicht op elkaar benemen. (Een voorwerp achteraan geeft soms alleen nog maar te kennen dat het er is; zijn enige identiteit bestaat uit een verwijzing naar zichzelf.) Of hij haalde ze uit elkaar, met als voornaamste zorg, de ruimte ertussen uit te dossen als een voorwerp op zichzelf. Soms lijkt het Morandi erom te doen te zijn, fusies te bewerkstelligen tussen twee of meer dingen: twee-, drie-, of viereenheden.

Morandi deed er naar eigen zeggen het langst over om de arrangementen tot stand te brengen. Niet het schilderen was het probleem, maar de voorstelling die de voorwerpen, gechoreografeerd door de schilder, moesten geven alvorens hij met het palet aan het werk kon. Op de een of andere manier - die geheimzinnig blijft - is het Morandi gelukt om die levenslange eindeloze aandacht vruchtbaar te maken. Want dat de bezoeker zich geen seconde verveelt te midden van een stuk of vijftig schilderijen en tekeningen die een doodenkele keer 'Paesaggio' of 'Cortile di via Fondazza' maar meestal, en steeds maar weer opnieuw, 'Natura morta' heten, dat is alles welbeschouwd verbijsterend.

    • Nicolaas Matsier