'Mijn shirt hangt aan 'n knaapje in de kast'

'Mijn moeder is Nederlandse, mijn vader Albanees. Begin jaren zestig kwam hij naar Nederland om voor MVV te voetballen. Later vestigden mijn ouders zich in Canada. Ik was toen negen jaar.

In Nederland voetbalde ik, op high school werd dat American football. Om een vreemde reden eigenlijk. Op school liepen veel jongens in jasjes die ik heel leuk vond. Zo'n jasje wilde ik ook.

'Moet je eerst op football', kreeg ik te horen. Het waren namelijk jasjes die bij de football-uitrusting hoorden. Het spel op zich vond ik ook meteen fantastisch. Ruwer dan voetbal, ik kreeg er een kick van.

Op de universiteit had ik een locker die precies tussen de opbergkastjes van twee enorme footballspelers in zat. Daarin lag ook altijd hun ondershirt. Die hempies wasten ze nooit, omdat ze een wedstrijdje 'wie heeft het meest stinkende ondershirt' hadden. Voor mij was dat niet plezierig: de stank was echt vreselijk. Desalniettemin begon ook ik toen mijn ondershirt niet meer te wassen. Tot de lucht ondraaglijk werd. Toen was het trouwens al wel m'n geluksshirt. Omdat ik er gewoon altijd goed in speelde. Nog steeds draag ik het shirt onder mijn wedstrijdkleding, ook al is-ie inmiddels dertien jaar oud en eigenlijk te klein. Maar door wat verstelwerk zit het toch nog vrij goed.

M'n moeder heeft het shirt ooit weggegooid wegens de vele gaten, maar gelukkig wist ik 'm nog uit de vuilnisbak te vissen. Ik heb namelijk weleens zonder dat shirt gespeeld. Toen voelde ik me vreemd, alsof ik geen zelfvertrouwen meer had. Als het shirt gewassen is, hang ik 'm aan een knaapje in de kast. Tussen de goede overhemden. Als ik er dan naar kijk, zie ik m'n hele verleden als footballspeler voor me. Inclusief de jongens met wie ik ooit gespeeld heb. Dat is mooi.'

    • Paul de Lange