De dood als remedie tegen overspel

Voorstelling: Othello van William Shakespeare door Noord Nederlands Toneel. Vertaling: Gerrit Komrij; decor: Peter de Kimpe; licht: Marc Heinz; regie: Karst Woudstra; spelers: Rogier Schippers, Dries Vanhegen, Patrick Deleu e.a. Gezien 6/4 Machinefabriek, Bloemstraat, Groningen. Tournee t/m 25/5. Inl. 050-5733444.

Jago is de slang in het paradijs van zijn veldheer Othello. Hij fluistert hem verdachtmakingen in het oor, zaait tweedracht en krijgt zijn heer waar hij hem hebben wil: Othello pleegt uiteindelijk zelfmoord. Het wekt verbazing dat Shakespeare zijn tragedie over jaloezie en wraak Othello noemt, en niet Jago. Want die is het brandpunt en zonder zijn gewiekste tong was Othello dood tij. Er bestaat geen treurspel waarin het bitterste egoïsme, verpersoonlijkt in Jago, zo onnavolgbaar wordt beleden als in dit stuk van Shakespeare, vermoedelijk voor het eerst opgevoerd in 1604, een jaar of vier na Hamlet.

De personages in dit onherbergzame stuk zijn willoze slachtoffers in Jago's wellustige valsheid. Allereerst Othello; hij is een Moor, een zwarte man dus, in Venetiaanse dienst. Hij schaakt Desdemona, de dochter van de senator, en huwt haar. Vanaf dat moment bestaat er een zekerheid in zijn leven: hun liefde en trouw zijn onfeilbaar. Jago, in het geheim verliefd op Desdemona, is niet alleen jaloers op Othello's huwelijk, maar ook op zijn hogere rang. Hij zet alles in het werk om Othello te breken door het gerucht te verspreiden dat Desdemona ontrouw is aan Othello. Ook zij is een speelbal in Jago's handen.

Het duizelingwekkende van Othello is dat de hele intrige is gebouwd op Jago's vernuftige valsheid. Al heeft hij ongelijk, gaandeweg valt zelfs de toeschouwer ten prooi aan zijn vileine opzet. Een schitterend staaltje van gemeenheid is het spel met Desdemona's zakdoek. Jago zorgt ervoor dat die in het bed van zijn rivaal Cassio wordt gevonden, de man met wie Desdemona overspelig zou zijn. Voor Othello het ultieme bewijs van haar zedeloosheid.

De regie van Karst Woudstra is even donker en dreigend als de tragedie zelf is. De voorstelling speelt zich af in gedempt licht. De mannelijke rollen gaan gekleed in fluweelrood; de vrouwen - gespeeld door mannen - in laag uitgesneden jurken waarboven de gelippenstifte tepels als zwoele borsten moeten prijken. Links op het decor staat een tafeltje met een vanitas-stilleven: een doodskop, kandelaar, een tros druiven. Ontwerper Peter de Kimpe maakte van donker fluweel een halfronde wand, naar voren aflopend, die enerzijds intimiteit suggereert en anderzijds uitnodigt om af te luisteren, elkaar te bespieden en onverhoeds in de rug aan te vallen. In het midden van de speelvloer liggen vier matten uit de gymnastiekzaal tot zowel altaar, liefdes- als doodsbed opgestapeld. Woudstra laat er geen misverstand over bestaan dat liefde en dood één zijn; het is alles eros en thanatos wat de klok slaat.

De kracht van de voorstelling ligt onmiskenbaar bij Jago, een even gewelddadige als sluwe rol van Dries Vanhegen. Met ontembare energie schiet hij door de voorstelling, verspreidt leugen na leugen, gerucht na gerucht. Hij rust niet voordat iedereen voor hem is gevallen: en hij doet dat met een vanzelfsprekende souplesse en overtuigingskracht. Op het dramatische hoogtepunt van de voorstelling, wanneer Othello eerst Desdemona en dan zichzelf doodt, verschuilt hij zich achter de doodskop: Jago's hoofd wordt die grijnzende schedel. Tegenover hem staat Othello (Rogier Schippers) als een nobele, argeloze man, weerloos jegens Jago's verzinsels. Zijn argwaan vindt bovendien rechtvaardiging in zijn zwarte huidskleur in een blanke omgeving; hij is een vreemde.

Voor Woudstra is de kern van Othello niet de allesverterende kracht van de jaloezie, de pijn om de wegvlietende liefde, maar de dood die onverbrekelijk met liefde is verbonden. Van een tragedie van de wraak maakt hij een dans rond de dood. Daarom ook bespeuren we aanvankelijk helemaal niets van Othello's passie voor Desdemona, en daarom ook worden de vrouwenrollen door mannen gespeeld. Daarachter schuilt meer dan Woudstra's historische rechtvaardiging dat het 'zo was in Shakespeare's tijd'. Door Desdomana, het hart van de voorstelling, door een man (Patrick Deleu) te laten vertolken, creëert hij distantie; liefde zou bestaan in woorden, het gaat kennelijk niet om man en vrouw. Maar Deleu's weergave is eerder hilarisch en ironisch dan ernstig te nemen. Zijn zwaar aangezette Vlaamse accent, zijn wat vettige kippeborst, de aarbeienrood geverfde tepels, het zogenaamd vrouwelijk smachten en koketteren werken eerder ontluisterend dan de liefde en dus de jaloezie aanwakkerend. Regie en acteurs begaan hier de bijna onuitroeibare fout: zodra mannen vrouwen gaan spelen, doen ze dat zo gewild vrouwelijk dat ze er in het repetitielokaal veel jolijt om kunnen hebben, maar in de schouwburg keert zich die aandachttrekkerij tegen hen. Ik keek niet naar het dramatische karakter Desdemona, maar naar een acteur die vol uiterlijk vertoon een vrouw meende te zijn.

De liefde van Othello voor Desdemona uit zich pas aan het slot, meteen nadat haar man haar heeft doen stikken. Othello werpt zich bovenop haar en verricht met haar/hem, in elk geval het dode wezen, necrofilie. Pas als de geliefde dood is en zich nooit meer overspelig kan gedragen, neemt de man in onaangetaste zekerheid het volle bezit van haar. Ik vond het een macaber, al te symbolisch slotbeeld. Een beeld dat bovendien afbreuk doet aan de spanning die Jago wist op te bouwen. Want de tragedie als tekst dankt haar onthutsende kracht aan het spookachtige, schimmige kat-en-muis spel tussen waarheid en leugen. Hoe nadrukkelijker de symbolische strekking, des te meer verlies van subtiliteit. Jago is die dreigende ongrijpbaarheid zelf, redenerend in door Gerrit Komrij prachtig vertaalde verdichtsels, waardoor hij iedereen ten onder brengt die hij maar wil. Zo machtig kan dus taal zijn. Karst Woudstra heeft die dwingende kracht met te veel betekenis willen optuigen, waar dat feitelijk overbodig is.

    • Kester Freriks