De bohème van Audi nu nog killer en snijdender

Voorstelling: La bohème van G. Puccini door de Nederlandse Opera en het Ned. Philh. Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. o.a. Aïnhao Arteta, Roberto Aronica, Paul Whelan, Lucio Gallo, Giovanni Furlanetto en Cynthia Haymon. Decors: Michael Simon; kostuums: Jorge Jara; licht: Jean Kalman; regie: Pierre Audi. Gezien: 8/4 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen t/m 2/5 (alle uitverkocht).

La bohème was in 1992 de vuurproef voor Pierre Audi als regisseur. Hij bracht nu eens niet, zoals vaak voorheen, een relatief onbekend werk met een kleine bezetting, maar een van de populairste opera's met een grote afwisseling tussen het intieme van een nieuwe relatie en het grootschalige van het carnavaleske spektakel in de tweede acte. Audi bleek beide aspecten van het theatermaken te beheersen: hij kon vernieuwingen doorvoeren, zich ook nog houden aan een enkele conventie en tegelijkertijd een duidelijk eigen interpretatie tonen. Toch had de voorstelling als geheel iets ongemakkelijks: Audi leek in dat alles maar nipt te slagen.

Bij de reprise ligt dat uiteindelijk allemaal anders. Inmiddels zijn we al weer gewend aan deze opvatting. Bovendien wordt die nu door een vrijwel geheel vernieuwde vocale cast veel eenduidiger vertolkt. Niettemin blijft het soms aanvankelijk moeilijk getuige te zijn van het afscheid van de traditie: een hoogblonde Mimi die oogt als een gezond Zweeds prinsesje, een al te schuchtere Rodolfo, een nogal dunne vocale en een helderlichte muzikale uitvoering die nergens echt ouderwets Puccininaans 'lekker' en 'meeslepend' klinkt.

De vrienden Schaunard, Marcello, Colline - ze zingen uitstekend. De Musetta van Cynthia Haymon (onlangs nog de vertolkster van de titelrol in Monteverdi's Poppea) is een verrassing: een echte soubrette, terwijl ze in de derde acte met loshangend haar uiterlijk ook nog exact lijkt op de piepjonge Jessye Norman.

Maar het grote gebaar, de breeduit gezongen aria's en duetten van het liefdespaar die deze opera van pathetiek voorzagen - waar zijn ze gebleven? De Mimi van de Baskische Aïnhoa Arteta (winnares van enkele concoursen en eerder een Mimi in de New-Yorkse Met) is keurig, koel en afstandelijk. Haar wat ijle, eenkleurige zangkunst lijkt eerder geschikt voor het vroege belcanto dan voor het rijk emotioneel overladen verismo van het fin de siècle.

De vocaal al even terughoudende Rodolfo, die de Italiaan Roberto Aronica hier zingt, moet wel van een geheel ander soort zijn als het personage dat hij eerder dit jaar in Turijn zong ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het werk. Hij alterneerde daar met Pavarotti, terwijl Mirella Freni Mimi vertolkte. Dat was ongetwijfeld een La bohème zoals de traditie het al een eeuw wil.

Maar geleidelijk aan wint de overtuigingskracht van dirigent Haenchen en deze cast, die Audi's scherpe analyse van het anders altijd zo zielige en uiteindelijk snotterend roerende drama hier genadeloos uitbeelden. Audi presenteert de bohémiens als totale mislukkelingen; niet alleen in de kunst van de literatuur, de poëzie en het schilderen, maar ook in de kunst van het leven. Hun intermenselijke relaties zijn oppervlakkig, egoïstisch, flirterig en flinterdun. Af en toe acteren ze emoties, maar die zijn voornamelijk uiterlijke schijn.

Alles aan deze La bohème is waterkoud. Tekenend daarvoor is de sfeer van de derde acte - een van de beste actes in de operahistorie: een snijdend kille mist in plaats van wollige sneeuw. Dat leidt tot een bikkelhard en troosteloos slotbeeld. De arme zieke Mimi sterft in eenzaamheid, weliswaar omgeven door haar 'vrienden', maar zij bekommeren zich vooral om zichzelf.

Audi's versie van La bohème is puur theater. Via de radio of een cd-registratie zou men daarvan een akelig eenzijdige indruk krijgen. Om overtuigd te worden moet men deze voorstelling horen èn zien.

    • Kasper Jansen