Vorstkaart

Elk jaar tuinieren zorgt voor nieuwe inzichten, over planten in het algemeen en over de eigen tuin.

Het toont dat tuinieren geen eenvoudige zaak is, schilderen op een glad en vergankelijk doek, iets als proberen twee dingen aan elkaar te lijmen terwijl je met één voet op het land en de andere op een boot staat. Soms heb je de juiste plant, precies degene die je nodig had bij de andere, en dan blijkt de grond (belichting, zuurgraad, vochtigheid) verkeerd te zijn; en de volgende keer is het allemaal perfect, alles bloeit tegelijk, en dan blijkt dat 't een uitzonderlijk jaar was, en dat die speciale combinatie zich nooit meer zal voordoen. Of je krijgt die geheimzinnige sterfgevallen, het lange langzame zieltogen, de plotselinge verdwijningen; voor je met tuinieren begon had je nooit vermoed dat planten zoveel manieren hadden om hun afkeuring te laten blijken.

Zij die zich beperken tot gemakkelijke planten en gewoon een nieuwe kopen wanneer er een doodgaat, in plaats van zich af te beulen met onbeantwoordbare vragen, moeten een nogal andere kijk hebben op tuinieren; soms zou ik ze zelfs kunnen benijden. Maar iedereen is nu eenmaal zoals hij is en ik voor mij ben zeer opgelucht de Cyclamen coum-kwestie te hebben opgelost.

Dat is te danken aan deze koude winter, die een interessant verschil in gedrag aan het licht heeft gebracht tussen twee groepen van deze cyclamen, die heel vroeg in het voorjaar bloeit. De bloemknoppen worden in feite al in de winter gevormd en liggen dan te wachten op een of andere geheime vrijmetselaarshanddruk; lang voor de bloei kun je al zien hoeveel het er worden. De ene groep bevindt zich op een open plek in het midden van de tuin, naast andere cyclamen die in de herfst bloeien en die het daar geweldig goed doen; de andere groep groeit aan de voet van een sering, dicht bij een muur, op een plek waar de herfstbloeiers zich duidelijk niet senang voelen.

Het contrast tussen die twee is op dit ogenblik pijnlijk om te zien: de groep in het midden heeft bij elkaar drie miezerige bloempjes, terwijl de andere er uitzien als een foto in een bollencatalogus. Toch hadden die van het midden een overvloed van knoppen, een veel groter aantal dan de andere; Cyclamen coum heten ook buitengewoon winterhard te zijn. Dat was dus vreemd: zelfde plant, zelfde tuin, zelfde winter, zelfde tuinier. Nu pas, na de vorstperiode, begin ik het te begrijpen: de harde vorst en de koude winden coïncideerden met het moment dat de planten in het midden al in knop waren; die arme bloemknoppen die daar zo lang moesten liggen voor ze voor het voetlicht mochten waren als zuigelingen, te vondeling gelegd op een Romeinse heuvel. Die in het andere bed stonden kennelijk niet op de route van de ijzige wind. Een interessante gedachte: aan een plant die op een ander tijdstip bloeit zou niet te merken zijn dat er met die plek iets bijzonders aan de hand was.

Deze les is uiteraard te vinden in tuinboeken: van Margery Fish bijvoorbeeld, die kennelijk gevoel had voor experimenteren en een nieuwe plant altijd uitprobeerde op verschillende plaatsen in de tuin. Maar het is het soort advies dat je je voornamelijk achteraf herinnert; ik denk niet dat veel mensen, wanneer hun vierde exotische acanthus of camelia de geest geeft, zich er deemoedig bij neerleggen en bij de kwekerij een nieuwe gaan halen.

Het resultaat van je experimenten kan tegengesteld zijn aan de verwachtingen. Ik heb twee groepen Euphorbia amygdaloides var. robbiae - een sterke groenblijver, steun en toeverlaat van de schaduwtuinier, die ik voor zeer winterhard hield. Van deze is er één groter en belangrijker in de algemene betekenis dan de andere; ook stond zij, dacht ik, op een gunstiger plek. Wat nu gebeurd is, is dat de vorst gedeelten van deze plant heeft gedood - niet meer dan een paar stengels, maar het ziet er lamentabel uit - en dat, uiteraard, alleen in de belangrijke, in het gezicht staande groep.

In tuinboeken is soms sprake van 'frost pockets', plekken in de tuin waar de vorst blijft hangen. Ik had mij die altijd voorgesteld als vrij groot, hele valleien, maar het kan blijkbaar ook met een stukje bloembed ter grootte van een zakdoek. Op het ogenblik, terwijl de schade nog gemakkelijk te zien is, zou je een vorstkaart van de tuin kunnen maken; niet alleen curieus maar ook practisch, het zou allerlei latere ellende kunnen voorkomen.

Een mogelijke oplossing voor het plantplaatsing-probleem, ter attentie van de tuinier die liever lui dan moe is, is alleen planten te gebruiken die overal kunnen groeien. Een daarvan heb ik ontdekt, de Geranium x cantabrigiense. Dat is, volgens Perennials van Roger Phillips en Martyn Rix, een kruising tussen G. macrorrhizum en G. dalmaticum die gekweekt werd in de universitaire botanische tuin van Cambridge door Dr Helen Kiefer in 1974.

Ik kocht de mijne in de veronderstelling dat zij, omdat zij naar Cambridge genoemd was, lichtblauwe bloemen zou hebben, maar die heeft ze niet, ze zijn rose. Er zijn er wel veel van en de plant maakt, zelfs op een droge plaats met weinig zon, een bevredigend compacte indruk, met veel blad ook. Ook nu, met alles naar 't heet een maand achter op het schema, groeit zij alweer lustig.

En dan heb ik een cultivar, Geranium x cantabrigiense 'Biokovo', die ontdekt werd in het Biokova-gebergte van Zuid-Slavië. Hoe dezelfde ouders er in geslaagd zijn bij elkaar te komen in de Joegoslaafse bergen zoals in de botanische tuinen van Cambridge is heel raadselachtig, maar goed. 'Biokovo' staat in mijn volkstuin; zij staat daar in de volle zon, in de klei en in de weg, zodat er telkens op haar getrapt wordt. Haar bloemen zijn wit maar in groei is er geen verschil tussen haar en haar zusters uit Cambridge, terwijl de verschillen in omgeving niet groter zouden kunnen zijn.

Ik heb haar nog niet in droge schaduw geprobeerd - het plezier van het experimenteren ligt soms in het wachten - maar tot nu toe ziet het er uit of het onnodig is haar te proberen op verschillende plaatsen: je zou er alle tuinen mee kunnen vullen.