Vorm & vent

STEPHAN SANDERS: Buitenwacht. Essays & kronieken 1986-1995

361 blz., De Bezige Bij 1995, ƒ 42,50

Wie de Volkskrant bij het ontbijt leest heeft zaterdags iets om de verdere dag op te kauwen: de columns van Stephan Sanders. In de bundel Buitenwacht vindt de krantenlezer ze nog eens bij elkaar, vermeerderd met een aantal grotere stukken voor de Groene. Ze zijn nu losjes gerangschikt in rubrieken die de intellectueel, vooroordelen, persoonlijk en oorlogsgeweld, adoptie, kunst, en het moderne levensgevoel op de korrel nemen. Sanders heeft er poëtischer aanduidingen voor; 'mensen, medemensen' slaat bijvoorbeeld op de rubriek over vooroordelen. Die versieringen dragen niet altijd aan de trefzekerheid van een titel of argument bij. De stijl van zijn redeneringen is een weerkerende zorg en vreugd bij alles wat Sanders aan de orde stelt. Vorm én vent.

De contouren van die vent bepalen in veel opzichten de stof, want de schrijver vertoont grote gelijkenis met de spreekwoordelijke 'joodse homoseksuele neger' (voor joods leze men intellectueel), en hij wil dat ook weten. Zijn commentaar concentreert zich op 'kwesties die mij hebben geraakt'. Dat is bijvoorbeeld de Iraanse doodsspreuk tegen Salman Rushdie, een kwestie die Sanders beschouwt als toetssteen voor het recht van het kritische woord. En passant veegt hij de vloer aan met de politicus Rabbae, die eerst een verbod van Rushdie's roman verdedigde en dat voorstel in verkiezingstijd weer introk. Enige jaren geleden hoonde Sanders Harry Mulisch' begrip voor Castro's vervolging van dissidenten, waarop de oude meester in zo'n woede ontstak dat hij de Volkskrant tot ontslag van Sanders zou hebben proberen aan te zetten.

Zijn stukken over homoseksualiteit en 'négritude' vertonen een grotere ambivalentie dan die over de rol van de intellectueel. Terwijl Sanders aan de ene kant een warm pleidooi houdt voor de 'nichten, de gestaalde kaders van de homo-scene', bestrijdt hij de dwingelandij waarmee deze en andere minderheidsgroepen de eigen opvattingen 'niet langer als een recht, maar als een dure plicht zien'. De sympathie van de columnist gaat ook meer uit naar de excentrische Frans Kellendonk, homo tegen wil en dank, dan naar de excentrieke Manfred Langer. Een vergelijkbaar voorbehoud koestert hij tegenover Malcolm X en Spike Lee, wier zwart racisme de 'radical chic' graag door de vingers ziet.

Laat Sanders zich al graag kennen als tegendraadse representant van minderheden, in de tweede helft van het boek neemt hij de lezer nog verder in vertrouwen over zijn particuliere bestaan: het redeloze pak slaag dat hij op een nacht in de stad opliep, de ervaring van het geadopteerd zijn, en de grilligheid van de seksuele jaloezie. Een enkele keer doet de familiariteit waarmee overspel of geëxalteerde huiselijkheid ten toon gespreid worden opdringerig aan. 'Pas als ik 's nachts het blonde lichaam van mijn vriend tegen me aan voel kruipen..' Maar de bewondering voor de scherpzinnigheid, de gedurfde verbanden, de mooie getuigenverklaringen die hij de wereldliteratuur en zijn medecolumnisten ontfutselt in verband met 'kwesties die mij geraakt hebben', overheerst. De complexe stijl waarin deze kanttekeningen geschreven zijn soms precieus maar meestal precies. Dat kan de dag van een krantenlezer goed maken. Bij het achter elkaar lezen in boekvorm kan juist een zekere verzadiging optreden.

    • Samuel de Lange