Tropenjaren in Moskou

DAVID MAYERS: The Ambassadors and America's Soviet Policy

335 blz., geïll., Oxford University Press 1995, ƒ 73,50

De Amerikaanse ambassadeurs in Moskou hebben het ten tijde van het Sovjet-regime nooit makkelijk gehad. Ze werden getreiterd door de geheime politie. Vaak was er een tekort aan de eerste levensbehoeften. Hun werkomgeving werd voortdurend afgeluisterd en ieder contact met Russen kon hun op beschuldigingen van spionage komen te staan. De meeste diplomaten hielden het dan ook maar kort uit in Moskou. Niet zelden keerden ze terug met een maagzweer of zenuwinzinking.

De Amerikaanse historicus David Mayers heeft met de beschrijving van de geschiedenis van alle Amerikaanse diplomatieke missies in Moskou onder het communistisch regime een niet geringe prestatie geleverd. In zijn boek staan twee onderwerpen centraal. Niet alleen de specifieke verhalen van de betrokken ambassadeurs, maar ook de bewering dat de diplomatie-per-ambassadeur - in tegenstelling tot die per topconferentie, shuttle of fax - altijd onmisbaar zal blijven.

Verguizing

Juist in de moeilijke en bijna constant onvriendelijke relatie tussen de SU en de VS was de aanwezigheid van een min of meer goed ingevoerde man ter plekke van het grootste belang. Ook op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, toen wantrouwen en verguizing de relatie volkomen domineerden, bleef men in Washington vasthouden aan diplomatieke vertegenwoordiging. Beter zien en van nabij meemaken wat de tegenstander denkt en doet dan zonder informatie de strijd te moeten aanbinden.

Eerst behandelt de auteur de relatie Amerika-Rusland vanaf de Amerikaanse onafhankelijkheid tot de val van de laatste tsaar. De belangrijkste kenmerken van de relatie met Rusland zouden ook onder het communistisch regime blijven bestaan: een gesloten, wantrouwig politiek leiderschap, voortdurende hinder of pesterijen door de geheime politie, ondemocratische behandeling en onderdrukking van het volk. Na de communistische machtsovername in 1917, de aparte vrede met Duitsland en de daarop volgende burgeroorlog tussen 'Rood en Wit' in Rusland waren de VS een tijdlang te vervuld van angst en walging voor het regime in Moskou om ook maar te kunnen denken aan diplomatieke erkenning. De beslissing, eind 1933, om toch diplomatieke betrekkingen met het communistisch regime in Moskou aan te gaan werd ingegeven door het besef dat de Sovjet-Unie een strategische macht was, waarmee terdege rekening moest worden gehouden.

Hoewel de Koude Oorlog nog niet ver weg was waren de jaren tussen 1933 en 1941 meteen ook al de moeilijkste. De eerste ambassadeur, William Bullitt, kwam als vriend en enthousiast Ruslandkenner en vertrok na ruim anderhalf jaar als een verbitterd en gedesillusioneerd mens - contact met gewone burgers en intellectuelen was al gauw bijna onmogelijk en zeer gevaarlijk en de Sovjet-regering bleek helemaal niet geïnteresseerd in een goede, open relatie met de VS. Bullitts opvolger was van heel andere makelij en had ook een heel andere opdracht meegekregen van president Roosevelt. Deze Joseph Davies was een welvarende en opportunistische Democraat die naar Moskou kwam om de plooien die in de Sovjet-Amerikaanse betrekkingen waren ontstaan over de terreur en de politieke showprocesen, weer glad te strijken. Dit vanwege Roosevelts vroege inzicht dat het totalitaire regime in Duitsland veel gevaarlijker was voor de wereldvrede dan de Sovjet-dictatuur, en daarom moest Stalin gepaaid worden om als tegenkracht te dienen aan Hitlers oostgrens. De uiterst gladde en, zouden we nu zeggen, politiek incorrecte wijze waarop Davies zich van deze taak kweet (hij besteedde een groot deel van zijn tijd aan het verwerven van antieke iconen en vergoelijkte de showprocessen) gaven hem destijds een zeer slechte naam bij zijn ondergeschikten in Moskou en later ook bij historici. Mayers heeft echter met verrassend speurwerk aangetoond dat dit schijnbare prototype van de gelikte, onkritische ambassadeur wel degelijk wist hoe vreselijk de Stalinterreur was, maar dat hij dit bewust ondergeschikt maakte aan het belang van het zoeken naar bondgenoten tegen het Duitse (en Japanse) gevaar.

Gladstrijker

Deze gladstrijker bleef echter niet lang. In 1939 werd hij opgevolgd door Laurence Steinhardt, een degelijk diplomaat, die zich goed van zijn taken kweet, maar het daarmee uiteindelijk niet redde. Deze man moest twee jaar lang rapporteren over de onheilspellende acties van Stalin aan de westgrens van de Sovjet-Unie; eerst het Molotov-Ribbentrop-pact, direct gevolgd door de communistische usurpatie van oost-Polen, de oorlog tegen Finland en later de inlijving van de Baltische staten in 1940. Het was moeilijk om onder deze omstandigheden de Sovjet-Unie als bondgenoot te zien. Toen de ambassadeur na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie vervolgens te horen kreeg dat zijn regering onvoorwaardelijk militaire en andere materiële steun wilde gaan verlenen, kon hij het rollenspel niet meer opbrengen. In 1941 beëindigde hij zijn ambassadeurschap zonder voldoening.

De overige hoofdstukken beslaan de tijdsblokken 1941-1945, waarin het diplomatieke aspect van de 'strange alliance' volgens ambassadeurs William Standley en Averell Harriman wordt bekeken alsmede hun rol bij de topconferenties van de grote drie; 1946-1953 de eerste jaren van de Koude Oorlog, waarin de relatie zo ijzig was dat de ambassadeurs Smith, Kirk en Kennan (de eerste twee typisch genoeg militairen) nauwelijks aan diplomatie toekwamen, omdat ook de beide regeringen geen enkele beweging maakten in de richting van een oplossing voor de problemen van wapenwedloop, de deling van Duitsland of de oorlog in Korea. Na 1957 komt er voor het eerst een Amerikaan die een redelijk tot hartelijk contact opbouwt met de communistische leiders. Ambassadeur Llewelyn Thompson spreekt regelmatig persoonlijk met Chroesjtsjov en dit verhoogt de waarde van het diplomatieke contact zeer. Zeker na het aantreden van president Kennedy lijkt er kans op vermindering van de spanning. Maar de bouw van de Berlijnse muur, het Varkensbaai-debâcle en tenslotte de Cuba-crisis waren te grote aanslagen op het diplomatiek vernuft en na het vertrek van Thompson als ambassadeur en Kennedy's dood worden de zaken weer even moeizaam als tevoren.

In de jaren van president Nixons regering kreeg de détente wel serieuze vorm, maar wonderlijk genoeg ging dit vrijwel geheel langs de Amerikanen in Moskou heen: Kissinger passeerde niet alleen de ambassadeurs, maar de hele diplomatieke dienst en het State Department. Toch deed de ambassade in die jaren veel nuttig werk op gebieden die minder in de politieke schijnwerpers stonden, maar wel belangrijk waren, zoals handelskredieten en -verdragen en een overeenkomst over beperking van atoomproeven.

Opvallend is hoe vruchtbaar de diplomatieke uitwisseling in de Reagan-jaren was, ondanks ronkende slogans over het 'evil empire' en ondanks de vele oorlogen in Derde wereld- en Zuidamerikaanse landen, waarin de twee supermachten altijd op een of andere manier tegenover elkaar stonden. Juist in deze jaren en zeker in de laatste chaotische tijden aan het einde van Gorbatsjovs dagen en die van de Sovjet-Unie zelf, bewezen de diplomaten ter plaatse hun waarde. Zij konden met eigen ogen de verzwakking van de Sovjet-kracht waarnemen. Dit leidde tot fraaie ontwapeningsverdragen en, meestal, tot goede beleidsadviezen.