Studenten en beroepskeuze

Sinds enige tijd heb ik als bijzonder hoogleraar weer te maken met studenten. Ze zijn anders dan een jaar of acht geleden. IJveriger, beter in het Nederlands en meer gericht op hun studie. De verschraling van de studiefinanciering heeft blijkbaar geholpen.

Zo zelfs dat een van onze univeriteiten zorgelijk een dagvullend programma opvoert onder de titel: Studeren of stampen? Anders gezegd: hebben studenten bij hun werk duidelijke doelen voor ogen of gaat het vooral om het absorberen van een verplichte hoeveelheid leerstof? Soms vrees ik voor het laatste. Ik weet wel, het bewijst niets en het heeft ook niets met economie van doen, maar toen ik mijn ongeveer vijftig studenten eens vroeg: wie was Proust (een schrijver) en wie is Renzo Piano (een architect) wist niemand het antwoord. Gelukkig vroeg een van hen na afloop van het college om de titel van een boek van Proust.

Er is dus enige reden tot zorg, maar die ligt meer bij de universiteiten dan bij de studenten. Veel van onze universiteiten liggen achter en beseffen te weinig dat de slagwoorden van onze tijd - zoals concurrentie, flexibiliteit, netwerken en innovatie - ook voor hen wat moeten betekenen. Zeker bij de teruglopende aantallen studenten. Men reageert daarop met naïeve reclamecampagnes, zoals bijvoorbeeld 'studeren in een dynamische stad', of 'Groningen is gezellig', maar van klantenbinding heeft men weinig notie. Er zijn nauwelijks netwerken met de toeleverancier (vwo), weinig allianties met anderen (hbo) en men doet niet veel aan de plaatsing van de afgestudeerden. Gezien de hoge uitval en de te lange studietijden ontmoet ook het doorloopproces tijdens de studie terecht kritiek. Elke kwaliteitsdeskundige kan daarin verbetering aanbrengen met wat meten en weten. Hoe je moet leren wordt zelden verteld, voor achterblijvers zijn er geen bypasses en de computer is er wel, maar wordt te weinig gebruikt als geïndividualiseerd studiemiddel.

Zo kan ik nog wel even doorgaan. Bijvoorbeeld over de teamvorming onder het docentencorps. Bijna niets nodigt daartoe uit. Veel universiteiten hebben het ongeluk dat hun gebouw in de verkeerde tijd en door de verkeerde architecten is gebouwd. Op mijn universiteit zie ik bijna nooit een collega. Ze zijn verborgen in kleine kamertjes die uitkomen op lange saaie gangen. Murw gemaakt door de overdreven vergaderzucht uit het verleden mijden ze bijeenkomsten. Bij mij komt dan de nostalgie naar boven van de oude faculteitskamer van dertig jaar geleden waar je als vanzelf kwam te praten over de studenten en het onderwijs. Overigens is het moderne model voor de inrichting van een universiteit direct beschikbaar bij de organisatiebureaus, die hun vaak lege kamers vervangen door open werkplekken en aparte gespreksruimten.

Doch dit stukje moet gaan over beroepskeuze bij studenten. Mijn studenten in de bedrijfskunde zijn niet ver af van hun doctoraal. In die fase moeten ze een werkstuk maken, wat ze goed doen. Meestal gaat het over ondernemingen. Na wat proberen kunnen ze uit een chaos van gegevens een behoorlijk beeld schetsen en na enig aandringen zijn ze zelfs bereid hun theorie uit het verleden toe te passen. In de presentatie van hun werkstukken zijn ze geweldig; dat gaat met computers en videobanden. Helaas is de toekomstige arbeidsmarkt voor hen weinig doorzichtig en ze denken erover in stereotypen.

Van mijn aantal van vijftig wil een kwart organisatiedeskundige worden (dit na een gloeiend betoog van een directeur van zo'n bureau), een kwart wil in de marketing, weer een kwart wil in de vervoerslogistiek (maar daarover gingen een aantal colleges) en het laatste kwart reageert verspreid. Gek genoeg koos niemand voor de industrie, voor een bank of voor een uitgeverij. Vooral grote ondernemingen werden nauwelijks genoemd. Daar kom je toch niet bij was de reactie; die gooien er alleen maar mensen uit. Iets nieuws proberen was evenmin populair; slechts een of twee dachten aan zelf starten. Ambtenaar of hoogleraar worden wilde niemand; als zoiets toch moest, dan maar liever personeelsmanagement.

Natuurlijk valt dit alles een beetje tegen. Dat men praktisch uitsluitend aan de dienstensector denkt is begrijpelijk. Maar het was toch weer vreemd dat bijvoorbeeld niemand de sector van de telematica en informatietechnologie noemde. Over een paar jaren is dat onze grootste bedrijfstak. Kortom, de meeste bijna afgestuderden, zelfs in een praktisch vak als bedrijfskunde, weten weinig meer dan een paar algemeenheden over de arbeidsmarkt. Mijns inziens ligt dat niet alleen aan de studenten, maar ook aan de opleiding aan de universiteit. Studeren geschiedt met een doel voor ogen, zeker wat betreft het later te kiezen beroep. Stampen doet men zo maar.

    • Dr. J.E. Andriessen