Nieuwkomers dagen verzekeringselite uit

De uitvoeringsorganisaties van de sociale verzekering bieden steeds meer commerciële diensten aan. Deze week gispte het College van toezicht sociale verzekeringen (CTSV) de manier waarop sommige arbodiensten hebben opgericht. Dreigt hetzelfde bij de nieuwe verzekeringsdochters?

Als een ander op mijn markt komt, wil ik wel op zijn markt actief kunnen worden. En dat wordt ons tot nu toe belemmerd.'' Directeur R. van der Smeede van verzekeraar Aegon heeft zijn jasje alvast maar uitgetrokken. De toon is gezet. Het financiële establishment, jarenlang het symbool van onderlinge samenwerking en kartelafspraken, heeft concurrentie ontdekt.

Het is knokken in de financiële supermarkt. Een markt waar miljarden guldens premies omgaan, is onverwacht het toneel van vechtlustige nieuwkomers en winstbeluste old timers. Pensioenfondsen tegen verzekeraars, sociale fondsen tegen verzekeraars en verzekeraar tegen de pensioenfondswereld. In de financiële supermarkt komen zij elkaar tegen. Daar liggen de spaarprodukten, de verzekeringspolissen en de individuele pensioenen zoals koopsompolissen hoog opgetast. En natuurlijk de verplichte collectieve pensioenen en de aow.

Uitvoeringsorganisaties zoals het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB; uitkeringsorganisatie voor de bouw) en aanbieders van pensioenenvoorzieningen, zoals als PGGM (pensioenfonds voor de zorg- en welzijnsector) dringen zich nu naar voren. PGGM is zelfs op overnamepad gegaan: het fonds heeft niet alleen een eigen verzekeraar (Altis) opgezet, maar koopt ook de artsenverzekeraar Olma.

Het ABP, Nederlands grootste pensioenfonds, kondigde drie maanden geleden ook al de oprichting van een eigen verzekeraar aan. De stap kwam voor financiële insiders niet als een grote verassing: drs J. Neervens, de nieuwe ABP-directievoorzitter, is zelf afkomstig van het SFB, waar hij voortleeft in de naam van een plein in het interne stratennetwerk. Het ABP heeft een klantenkring van bijna een miljoen ambtenaren. Als die straks deels hun verzekeringen bij het ABP onderbrengen, berooft dat de grote banken en verzekeraars van klandizie.

SFB, ABP en PGGM zijn niet de enige partijen in de wereld van de verrassende afkortingen die het commerciële pad op gaan. Ook de bedrijfsverenigingen BVG (Geestelijke gezondheidszorg) en Detam (detailhandel) en het GUO (agrarische bedrijven) houden zich naast het uitvoeren van collectief afgesproken regelingen bezig met verzekeren. De uitvoerders van sociale regelingen moeten door het wegvallen van een deel van hun collectieve taken wel aan de markt. Zij proberen nieuwe produkten in de schappen te krijgen, vooral op de planken waar de vertrouwde overheidsvoorzieningen opeens niet meer liggen, zoals ziektewetverzekeringen voor werkgevers, en voor werknemers aanvullende pensioenen en polissen tegen arbeidsongeschiktheid.

Terwijl de pensioenfondsen en de sociale fondsen vanaf de kassa's de supermarkt in gaan, naderen de verzekeraars vanaf de andere kant. Ook zij zien de overheidsschappen leeg worden en roepen: nou wij, boys. Van der Smeede van Aegon, de een na grootste levensverzekeraar in Nederland: “Als de sociale fondsen en de pensioenfondsen deze markt opkomen, zijn zij bezig de grondregels van het spel te veranderen. Dan kan ik wel roepen: dat is niet eerlijk, het moet verboden worden, maar van die aanpak hou ik niet zoveel. Ik wil de spelregels veranderen.”

Nieuwkomers op de commerciële markt als Sociaal Fonds Bouwnijverheid en pensioenfonds PGGM zijn zich van geen kwaad bewust. “SFB Verzekeringen zet de deuren open voor het hele Nederlandse bedrijfsleven”, kopte een rouge getinte recente advertentie. De 'bouw' is nu het primaire werkterrein, verzekert directeur G. van Diepen van SFB Verzekeringen, maar expansie naar aanpalende bedrijfstakken wil hij niet uitsluiten.

Net als nieuwe concurrenten Nationale Nederlanden, Aegon en Centraal Beheer gebruikt de verzekeringsdochter van SFB regelmatig paginagrote krantenadvertenties om verzekeringen tegen het risico van loondoorbetaling bij ziekte te verkopen. Handig legt de tekst een verband tussen de kwaliteit van de polissen en de gunstige arbeidsvoorwaarden in de bouw - waarbij de indruk wordt gewekt dat niet de vakbonden maar het SFB hiervoor verantwoordelijk is.

In de boeken staan 240.000 werknemers in de bouw plus 18.500 werkgevers. “Het irriteert mij”, zegt Aegon-directeur Van der Smeede. “De regelingen die men uitvoert zijn verplicht, je moet je als werkgever aansluiten.” Een simpele druk op de knop van de administratie en iedereen heeft een mailing van de vertrouwde SFB in zijn bus, zeggen ze met jaloezie in de verzekeringswereld. En dat allemaal gratis en voor niets, SFB heeft nooit een cent uitgegeven om het klantenbestand op te bouwen. “Zo makkelijk gaat dat niet”, verdedigt directeur Van Diepen van SFB verzekeringen. “Wij krijgen alleen gegevens over naam, adres en woonplaats. Nationale-Nederlanden kan ook alle bouwwerkgevers opvragen.”

Van der Smeede ziet dat anders. “Verkoop van verzekeringen vergt grote inspanning. Ik heb nog nooit mensen in de rij zien staan voor polissen. En de beslissing is deels op emotionele gronden gebaseerd. Het hebben van een relatie is voor de verkoop van verzekeringen van groot belang.”

Met de komst van nieuwe aanbieders vanuit de sociale fondsen en de pensioeninstellingen blijft er voor de collega-verzekeraars voldoende marktgroei over, stelt de SFB-directeur. Doordat de overheid steeds verder terugtreedt uit de sociale zekerheid, onder andere door de recente privatisering van de Ziektewet, zullen steeds meer werknemers en werkgevers aan moeten kloppen bij de particuliere verzekeraars. “Er komen een paar aanbieders bij, maar er komen ook miljarden guldens extra bij”, aldus Van Diepen.

Tot drie jaar geleden was het Fonds voor de bouwsector (opgericht in 1952) niets meer dan een uitvoerder van regelingen die door de politiek zijn opgelegd of door werkgevers en werknemers in de bouw onderling zijn afgesproken. Zo keerde de SFB als bedrijfsvereniging de uitkeringen uit bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, kregen de bouwvakkers hun pensioengelden van het SFB Bedrijfspensioenfonds en hun VUT-uitkering via de SFB-stichting uittreden bouwbedrijf.

In 1993 besloot het SFB een eigen verzekeringsdochter op te richten, in eerste instantie omdat werknemers in de bouw behoefte hadden aan een verzekering tegen het beruchte 'WAO gat'. Maar de nieuwe zaken zijn ook een banenplan: als de overheid regelingen schrapt zal dat werkgelegenheid kosten bij de uitvoerders, tenzij die zelf nieuwe activiteiten starten. Na het 'WAO gat' kregen werknemers via deze SFB-dochter ook andere aanbiedingen, onder andere op het gebied van aanvullende pensioenen. Ook werkgevers konden sinds begin 1994 terecht bij SFB Verzekeringen, bijv. voor het afdekken van het risico dat zij zieke werknemers twee of zes weken zelf moesten doorbetalen.

Van Diepen stapte twee jaar geleden naar SFB Verzekeringen over van UAP Schade, zoals wel meer van de medewerkers bij SFB afkomstig zijn uit de commerciële verzekeringswereld. Zestig van de honderd, schat Van Diepen. De privatisering van de Ziektewet, waardoor werkgevers vanaf begin deze maand 52 weken lang verantwoordelijk zijn voor de doorbetaling van loon bij ziekte, is voor SFB Verzekeringen het startschot voor een agressieve benadering van de markt.

Vorig jaar was de verzekeringspoot voor het tweede achtereenvolgende jaar winstgevend, al wil Van Diepen niet kwijt hoeveel geld verdiend werd. Alleen in het jaar van oprichting (1993) werd verlies gemaakt. De tegenwerping uit de kringen van de grote verzekeraars dat winst maken niet moeilijk is met het goedkope geld van een grote financiële instelling en dat dit toch wel een staaltje concurrentievervalsing is, vindt Van Diepen typerend voor de vele mythes die bij het verzekeringsestablishment over de nieuwkomers leven.

De verzekeringstak is opgezet door het aan SFB gelieerde Bedrijfspensioenfonds voor de Bouw, een normale investering in risicokapitaal. De scheiding in de huidige SFB-organisatie tussen de publieke en de private taken voldoet volgens hem aan alle politieke en juridische eisen. Twee stichtingen hebben samen alle aandelen van de nieuwe SFB Holding. De een waakt over de publieke taken en heeft zogeheten aandelen A van de holding, de ander is eigenaar van aandelen B, en moet de commerciële werkmaatschappijen aansturen.

SFB had er geen enkele moeite mee om zijn eigen (merk)naam te laten doorklinken in de nieuwe verzekeringsdochter, al bestaat er volgens Van Diepen verder geen formeel vangnet, mocht het onverhoopt verkeerd aflopen met de verzekeringsactiviteiten. Of SFB dan als reddende engel zal optreden, is een vraag die het bestuur (van werknemers en werkgevers uit de branche) moet beantwoorden, hoewel een bankroet gezien het huidige solvabiliteitsniveau (2,5 maal de eis die de Verzekeringskamer stelt) volgens hem niet voorstelbaar is.

PGGM heeft zijn verzekeringsmaatschappij wel een eigen naam gegeven: Altis (latijn voor hoger) en zet zijn eigen naam er in kleinere letters onder. “Dat geeft aan dat het iets anders is dan het collectief pensioen, maar dat PGGM er wel achter staat”, zegt directievoorzitter drs D. J. de Beus. Wie zou vermoeden dat financiële imperiumbouw aan de uitbreiding ten grondslag ligt, dient hij van repliek. “Deelnemers willen aanvullende arrangementen dicht bij huis onderbrengen. Pensioenbreuk bijvoorbeeld. Waarom kan dat niet bij jullie? wilden zij weten. Daarom hebben wij een aparte verzekeraar opgericht.” De Beus heeft zo'n 10.000 instellingen in de gezondheidszorg en de welzijnsector als klant en ongeveer 630.000 premiebetalers, hoofdzakelijk vrouwen.

De Beus vindt verzekeringen voortvloeien uit het kernbedrijf van PGGM: de financiële gevolgen voor gepensioneerden opvangen van ouderdom, overlijden, invaliditeit. “Financiële dienstverlening is geen doel op zich. Wij doen dit alleen omdat het onze nuttige hoofddoelstelling ondersteunt en daarvan is afgeleid.” Vorig jaar is nog aanloopverlies gemaakt in het piepjonge verzekeringsbedrijf, dat zo'n 30 miljoen gulden premie-omzet boekte. Er werken 25 mensen (bij PGGM als geheel: 670).

De Beus kent de kritiek uit de verzekeringsbranche. “De interne kostentoerekening, zoals de kosten van het gebouw, de receptioniste, stafafdelingen, dat is absoluut oncontroleerbaar”, vindt Aegons Van der Smeede. “Als pensioenfonds kun je de indruk wekken dat je nieuwe zaken subsidieert”, zo heeft ook De Beus ervaren in zijn contacten met zijn nieuwe concurrenten. “Maar gezonde bedrijfsvoering staat voorop. De structuur is alleen anders: wij werken niet voor outside-aandeelhouders op de effectenbeurs.” Altis is overigens, in tegenstelling tot SFB Verzekeringen, geen lid van het Verbond van Verzekeraars.

En dat brengt De Beus vanzelf op de pressie uit die kring op het kabinet om de pensioenbeheermarkt te liberaliseren. De verzekeraars willen dat een einde wordt gemaakt aan de verplichting van bedrijven in een specifieke bedrijfstak om hun pensioenverplichtingen gezamenlijk te laten beheren door een zogeheten bedrijfs(tak)pensioenfonds. De Beus heeft de munitie klaar. Er zijn drie lagen in de pensioenwereld: het collectieve (aow), het bedrijfspensioen en het individuele aanvullende pensioen. Verzekeraars hebben zo ongeveer de complete markt voor aanvullende pensioenen voor individuele werknemers, zoals koopsompolisen. En zij werken ook al voor bedrijven, die de pensioenregeling aan hen hebben uitbesteed. “Er is helemaal geen monopolie. Verzekeraars zitten al op die markt. Jammer dat dit buiten hun kring nog niet zo duidelijk begrepen wordt.”

Van der Smeede van Aegon:“Het collectieve model is aan slijtage onderhevig. In de pensioenwereld kennen zij man, vrouw en twee kinderen, maar de Nederlandse samenleving is oneindig veel interessanter.” Als de sociale fondsen en de pensioenfondsen op zijn 'thuismarkt' willen komen, prima, maar dan de verzekeraars ook op de pensioenfondsenmarkt. “Je ziet het andere partijen ook doen. FNV zit via Reaal ook in verzekeringen, en geeft leden korting op vakantiehuisjes. Dat moet ook kunnen. Er ontstaat meer concurrentie, dat is alleen maar goed.”

De Aegon-directeur plaatst zijn wens tot liberalisatie in het kader van de politieke roep om banen. “In Nederland is dienstverlening de belangrijkste bedrijfstak. En daarin zijn mensen - en dus arbeidskosten - de belangrijkste produktiekosten. Over de primaire arbeidsvoorwaarden, cao-loon en dergelijk, wordt onderhandeld tussen vakbonden en werkgevers. De pensioenregelingen zijn onderdeel van de arbeidsvoorwaarden, maar maken geen deel uit van de onderhandelingen. Dat is bij wet een verplichte deelname in een bedrijfspensioenfonds.

“Breng dat bij elkaar, laat de vakbeweging en de werkgever keuzes maken. Ik vind niet dat wij als verzekeraar een rol moeten spelen in het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden in een bedrijfstak, maar wel in de uitvoering. Zo ontstaat concurrentie, dat is goed.” Van der Smeede besluit: “Moet ik aantonen dat het goedkoper is? De uitvoeringskosten zijn lager. Het rendement op de Nederlandse pensioenbesparingen van zo'n 500 miljard gulden zal hoger zijn, want hoe hoger het rendement hoe lager de pensioenkosten voor een bedrijf. En het niveau van de dienstverlening, als het gaat om rapportage en informatie, ligt hoger.”