Nederland als goed gesprek

KOEN KOCH & PAUL SCHEFFER (red.): Het nut van Nederland. Opstellen over soevereiniteit en identiteit

290 blz., Bert Bakker 1996, ƒ 39,90

Een jaar geleden woedde in NRC HANDELSBLAD een breed uitgesponnen debat over de Nederlandse identiteit. Hoewel er veel belangwekkends over tafel ging, zal ik vast niet de enige zijn geweest die de stukken wel braaf uitknipte maar lang niet altijd uitlas. Was het werkelijk nodig zoveel ophef te maken over de Nederlandse identiteit? Was daar dan iets mis mee? Op die vraag kunnen we ons opnieuw bezinnen nu het debat een vervolg in boekvorm heeft gekregen. Een aantal bijdragen is herdrukt in een aanzienlijk uitgebreide en bewerkte vorm. Daarmee is meer dan voldaan aan het criterium van E.H. Kossmann, die het voor het behoud van onze cultuur vooral van belang acht 'met elkaar in gesprek te blijven'. Het is een boeiend gesprek geworden, niet in de laatste plaats omdat er heel wat door elkaar en langs elkaar heen wordt gepraat. De deelnemers zijn zestien heren: vijftien Nederlanders en één Belg.

Dit herengesprek wordt geopend met een bijdrage van Paul Scheffer over de politieke cultuur in Nederland. Scheffer maakt zich zorgen. Het weglekken van soevereiniteit, de verslonzing van de rechtsstaat, de problemen van een multiculturele samenleving nopen tot bezinning op de grondslagen van onze maatschappij. Het Nederlandse huis heeft te kampen met achterstallig onderhoud. Nederland zou er goed aan doen in onderling overleg een moreel minimum van gedeelde normen en waarden vast te stellen. Daarmee zou zowel de discussie over de plaats van Nederland in Europa als die over de 'inburgering' van etnische minderheden aan duidelijkheid winnen. Dit is de inzet van een overwegend politieke discussie over soevereiniteit en identiteit, waarin het nu eens niet gaat over het Ajax- of Oranjegevoel maar over de verworvenheden én de toekomst van onze parlementaire democratie en van de verzorgingsstaat. Een centrale premisse van Scheffer - die door zijn opponenten niet altijd wordt onderkend - is dat deze politieke vraagstukken in Nederland zelf zullen moeten worden opgelost en dat het geen zin heeft, en gezien het ontbreken van adequaat democratisch toezicht ook niet wenselijk is, daarbij te wachten en te vertrouwen op Europa. Hij verzet zich tegen het vaak gedachteloos aanvaarde idee van een steeds wijder uitdijend samenlevingsverband, waarbij de natiestaat inmiddels al een gepasseerd station zou zijn. Het is een illusie dat de Europese integratie onverstoorbaar voortschrijdt in een postnationale wereld. De realiteit is dat nationale staten het nog altijd voor het zeggen hebben en dat in die toestand in de voorzienbare toekomst ook wel geen verandering zal komen. De grote goeroe van het voluntaristische natiedenken Ernest Renan schamperde meer dan een eeuw geleden al dat een Zollverein nog geen vaderland is.

Zo betoogt Scheffer nu dat we de Europese binnenmarkt, ook al werkt die steeds beter, niet moeten verwarren met een nieuw soort natiestaat, en al helemaal niet moeten zien als een Groter Holland zoals ooit in deze contreien wel gedacht werd. Ook de zeer nabije toekomst van de Europese samenwerking is nog vol onzekerheden. Of we over een paar jaar onze rekeningen in euro's zullen vereffenen, is nog allerminst duidelijk, wat beroepsjokkebrokken als bankpresidenten ook mogen beweren. En wat de zogenaamde global village betreft. Die bestaat echt: in de Rotterdamse wijk Spangen waar zo'n 80 nationaliteiten opeengepakt zitten, op voet van oorlog met de rechtsstaat.

Bezinning

Tegen deze achtergrond is enige bezinning op de waarde en de waarden van de eigen natie geen overbodige luxe. Dat is niet per definitie navelstaarderig chauvinisme maar kan ook voortvloeien uit respect voor een historisch gegroeide, in brede kring als waardevol beschouwde politieke cultuur. Toch heeft het bezorgde betoog van progressieve intellectuelen als Paul Scheffer en Jos de Beus tot verrassend scherpe reacties geleid. Koen Koch, Scheffers voornaamste tegenspreker, sprak in eerste instantie zelfs over de 'wanhoop en verwarring' van de sociaal-democratische elite waarvan dergelijke opvattingen het symptoom zouden zijn. Koch acht elke verwijzing naar de natie gevaarlijk en hoopt dat we “gespaard blijven voor de stormen waarvoor Scheffer het zaad gestrooid heeft, door het debat over de multiculturele samenleving te belasten met angsten over onze nationale identiteit”. Ook Ton Zwaan vindt dat Scheffer met vuur speelt en acht de kans groot dat onschuldige sentimenten omslaan in levensgevaarlijk ressentiment.

Het internationale debat over het nationalisme wordt tegenwoordig gedomineerd door sociale wetenschappers. Ook in dit Nederlandse boek is dat het geval. Tegenover een keur aan politicologen, sociologen en filosofen staat precies tweeënhalve historicus. Dat is jammer, want door zijn kameleontische karakter en notoire gebrek aan theoretische consistentie is het nationalisme bij uitstek een fenomeen dat vraagt om bestudering door historici. Om geen misverstanden te wekken: sociale wetenschappers hebben de afgelopen jaren het nationalisme-onderzoek een krachtige impuls gegeven, terwijl de historici het juist danig hebben laten afweten. Vroeger was dat wel anders. Tot de jaren 1960 werd het werk van de historicus sterk bepaald door het nationale kader waarbinnen hij zijn vak beoefende. Zonder dat het daarmee meteen nationalistisch werd - dat was het vaak helemaal niet - was die nationale inbedding zo vanzelfsprekend dat zij behalve vraagstelling en onderwerpskeuze ook de toon van het verhaal bepaalde. Historici speelden een hoofdrol bij het maken van de natie als een 'verbeelde gemeenschap' en wie met dit vaderlandse pek omging werd ermee besmet. Het is dus best te begrijpen dat het de historische professie die zich in de jaren zestig eindelijk aan die nationale omklemming ontworstelde, thans grote moeite kost zich andermaal tot de natie - als object van studie ditmaal - te bekennen.

Geschiedenis

Toch zou in het huidige nationalisme-onderzoek, en ook in dit boek, wat meer geschiedenis geen kwaad kunnen. Er worden soms problemen aan de orde gesteld die al lang geen probleem meer zijn. Want wie beweert nu nog in ernst dat een natie iets natuurlijks is, met een onveranderlijk wezen, een nationaal karakter, of zelfs een ziel? Naties zoals ze nu bestaan zijn het resultaat van een historisch groeiproces, waarbij niemand zal ontkennen dat natievormende overheden in de loop der tijd heel wat groeihormonen en ander krachtvoer hebben toegediend. Veel natuurlijks is er dus niet aan. Dat neemt niet weg dat naties (en vooral natiestaten) als ze eenmaal bestaan, heel moeilijk zijn uit te roeien, zoals de recente geschiedenis overduidelijk laat zien. Om met Erik van Ree te spreken: “Sinterklaas bestaat niet, maar het sinterklaasfeest wel.” Wel rijst dan de kwestie Zwarte Piet: onschuldige boeman of toch racistisch symbool dat in onze veelkleurige samenleving licht tot misverstanden leidt?

Het lijkt mij een wat al te gemakkelijk gebruik van de geschiedenis om te denken dat het patroon van georganiseerde subculturen van de Verzuiling of Nederlands bewezen absorptievermogen als immigratieland (Vlamingen in de zestiende, Hugenoten in de zeventiende en Duitsers in de negentiende eeuw) op voorhand vertrouwen geeft in het oplossen van de huidige inburgeringsproblemen. Bij de Verzuiling was er uitdrukkelijk sprake van gedeeld Nederlands besef en ook van de behoefte daaraan uiting te geven, in de context van de eigen subcultuur. En wat de immigratie-analogie betreft: de cultuurverschillen waarom het nu gaat lijken toch van een heel andere aard en orde te zijn dan destijds.

Het nationalisme heeft zich vanouds verbonden met alle denkbare politieke stromingen. De verbazing bij sommigen dat progressieve intellectuelen plotseling op de nationale toer gaan, is dus niet terecht. Dat doen ze al sinds de Franse Revolutie. In de jaren dertig bijvoorbeeld omarmden sociaal-democraten de natie als bolwerk tegen het fascisme en iemand als Wiardi Beckman zag in 1935 de arbeidersklasse 'ingroeien' in de natie.

Ook wie vindt dat de natie ons wat te bieden heeft (al was het maar vanuit het besef dat de natiestaat nog lang met ons zal zijn), heeft daarmee niet gezegd hoe die natie dan gedefinieerd moet worden. Kossmann houdt het zoals gezegd op een doorlopend gesprek. Het gespreksthema zelf laat hij letterlijk in het midden: “Loop er liever met aandacht omheen, bekijk het van alle kanten maar stap er niet in, behandel het kortom als een enorme kwal op het strand.” Erg veel vertrouwen spreekt daar niet uit. Anderen beperken zich heel formeel tot 'gedeelde instituties'. Dat klinkt wat tam na Renans vermaarde “samen grote dingen gedaan te hebben en dat te willen blijven doen”. Uiteindelijk belanden we dan, vrees ik, bij het nietszeggende 'met elkaar', één van de meer stuitende stopwoorden uit het Haagse politieke taaltje. Veel deelnemers aan het gesprek lijken bevangen door preutsheid en koudwatervrees als het gaat om het omschrijven van de waarden die Nederlanders zouden kunnen delen. Scheffer en De Beus hebben een loffelijke poging gedaan die waarden wel te benoemen, in termen van democratische traditie, verzorgingsstaat en rechtscultuur. Het lijkt mij dat dergelijke waarden bij uitstek kunnen bijdragen aan het bestrijden van het foute nationalisme van Eigen Volk Eerst, in plaats van daar voedsel aan te geven.