Het wilde kapitalisme is een beetje over in Polen

KRAKOW, 6 APRIL. “Een telefoniste die alleen Pools spreekt kan voor een Nederlands bedrijf al een onneembare vesting zijn”, aldus C. Marijnissen, consulent internationale handel van de Kamer van Koophandel in Dordrecht. “Wij wijzen ondernemers erop dat ze daarom zo veel mogelijk via de fax moeten communiceren.”

Samen met zijn collega J. Wegrzyn van de Kamer van Koophandel in Kraków organiseert Marijnissen regelmatig bijeenkomsten, afwisselend in Nederland en in Polen, om de handelsbetrekkingen tussen beide landen te stimuleren en Poolse en Nederlandse bedrijven met elkaar in contact te brengen.

Beiden beschouwen het als hun eerste taak bestaande vooroordelen weg te nemen. Marijnissen: “Polen denken dat ze zo goedkoop produceren dat ze al hun produkten gemakkelijk in Nederland kunnen slijten. In een Nederlandse winkel heeft een Poolse ondernemer iets voor tien gulden zien liggen dat hij zelf thuis voor vier gulden fabriceert. In gedachten stroomt de winst al binnen. Maar hij vergeet dat de prijsopbouw in Nederland heel anders is. In Polen levert hij zijn spullen in een oude vrachtwagen zelf aan de winkelier. Er is geen distributeur die behoorlijk aan zijn produkt wil verdienen en Poolse winkeliers nemen genoegen met aanzienlijk lagere winstmarges.”

Volgens Wegrzyn gaan Nederlanders ervan uit dat de arbeidskosten in Polen nog heel laag zijn: “Dat is al lang niet meer overal het geval. In de buurt van Warschau stijgen ze heel snel. Voor General Motors was dat bijvoorbeeld een reden om uit te wijken naar Opper-Silezië, waar nog wel goedkoop geproduceerd kan worden.”

Vooral in de omgeving van Warschau kapen westerse bedrijven goed opgeleide werknemers voor elkaars neus weg. Het is goedkoper om een manager bij de concurrent weg te kopen, dan hem zelf op te leiden. Dat gaat ten koste van bedrijfsopleidingen en leidt tot een ongezonde opdrijving van salarissen. Toch willen de grote internationale bedrijven het liefst in de omgeving van Warschau zitten, vanwege de behoorlijke infrastructuur, de nabijheid van de concurrentie en vooral ook van de landelijke overheid, die ondanks de democratisering nog steeds oppermachtig is.

Wegrzyn heeft het in Kraków dan ook niet gemakkelijk. Buitenlandse investeerders zijn niet in de eerste plaats geïnteresseerd in een fraaie historische omgeving, ook al vinden de meesten de internationale allure van de stad (met een Engelstalige school en een bloeiend cultureel leven) aantrekkelijk. Maar ook de samenwerking met Poolse bedrijven verloopt niet gemakkelijk: “In de communistische tijd werden alle Kamers van Koophandel gesloten. De handel met het buitenland verliep via een centrale, door de overheid gecontroleerde Kamer.”

“De wet op de kamers van koophandel die in 1989 werd aangenomen is verre van optimaal. Het lidmaatschap is vrijwillig en de contributie is niet aftrekbaar van de belasting. Van de 60 tot 70 duizend bedrijven in deze omgeving zijn er maar zo'n 350 lid - gelukkig zijn dat wel de belangrijkste. Ook de registratie van bedrijven is ondoorzichtig. Of het bijvoorbeeld een nv is of een bv is vaak onduidelijk, en enig inzicht in de financiële positie is niet te krijgen.”

Nederlandse ondernemers die voor het eerst in Polen komen hebben daardoor al gauw de indruk dat het een jungle is. Er zal dus ook wel corruptie heersen, denkt men, en mafia-achtige praktijken zijn aan de orde van de dag. In de praktijk valt dat volgens Marijnissen wel mee: “Dat eerste wilde kapitalisme is wel een beetje over. Wat nog veel voorkomt is dat westerse bedrijven uit onervarenheid bij de verkeerde partners terechtkomen. Geen grote misdadigers, maar mensen die slechts kleine prestaties leveren en dan ook nog vaak via een omweg. Iemand die bijvoorbeeld de indruk wekt fabrikant te zijn, maar in werkelijkheid handelaar is. Het behoort tot onze taken om dat soort problemen te voorkomen.”

Wegrzyn en Marijnissen zijn beiden optimistisch over de ontwikkeling van de Poolse economie. Volgens Marijnissen zijn ondernemers nog niet gewend om hun winsten in het bedrijf te investeren, maar ook dat is geleidelijk aan het veranderen. Ook de efficiency van Poolse bedrijven wordt beter - en daarbij kan samenwerking met het buitenland weer een rol spelen. Polen is een goede markt voor tweedehands machines uit het Westen. Marijnissen: “Westerse bedrijven kunnen hun machines daardoor eerder afschrijven en in Polen kunnen ze hun verouderde spul vervangen door iets dat goed past bij hun economie.”

Ondanks hun optimisme vinden beiden dat het lidmaatschap van de Europese Unie voorlopig niet aan de orde is. Nu bouwt Peugeot nog een eigen fabriek in Polen om de hoge invoerrechten op auto's te omzeilen. Dat is goed voor de Poolse economie en voor de werkgelegenheid. Polen doet het volgens Wegrzyn niet slecht: “De wisselkoers van de zloty is stabiel, de inflatie ligt rond de 21 procent - vergeleken met de 15 procent van Griekenland is dat niet gek. In 1989 bedroeg de inflatie nog bijna 600 procent. Maar voordat de wetgeving geharmoniseerd kan worden met die van de Europese Unie, moeten de bedrijven eerst veel sterker worden.”

Marijnissen is het daarmee eens: “De meeste Poolse firma's zouden de concurrentie nog niet aankunnen als de invoerrechten zouden wegvallen. Het zou goed zijn als Poolse ondernemers eens wat minder gretig naar West-Europa zouden kijken en meer aandacht hadden voor hun thuismarkt en voor de andere Oost-Europese landen.”

    • Paul Luttikhuis